Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 10-01-2019

Koop en verkoop

betekenis & definitie

Koop en verkoop - (Lat. emptio, venditio), overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor den bedongen prijs te betalen (1493 B. W.). Zij wordt gehouden tusschen partijen voltrokken te zijn, zoodra dezen het zijn eens geworden over de zaak en den prijs. Levering der zaak en betaling van den prijs behoeven dus nog niet te hebben plaats gehad (1494 B. W.). — In afwijking van het Fransche recht gaat te onzent de eigendom van het verkochte niet eer tot den kooper over dan nadat de levering daarvan overeenkomstig artt. 667, 668 en 671 B. W. is geschied (1495 B. W.). Ook na de feitelijke overgave kan de eigendom nog tijdelijk bij den verkooper blijven, n.l. indien deze zich dien bij de koopovereenkomst, b.v. tot het oogenblik der geheele betaling van den koopprijs, heeft voorbehouden (vergel. H. R. 7 Febr. 1902, w. 7720). — De koopprijs moet bij de overeenkomst door partijen worden vastgesteld, tenzij deze de bepaling daarvan aan een derde overlaten. Wil of kan, in dit laatste geval, die derde den prijs niet bepalen, zoo blijft de koop achterwege (1501 B. W.). — Koop en verk. van eens anders goed is nietig en de verkooper tot schadevergoeding verplicht, indien de kooper niet geweten heeft, dat de zaak aan een ander toebehoorde (1507 B. W.). Met deze bepaling worden niet in strijd geacht de in den handel veelvuldig voorkomende leverantiecontracten betreffende slechts naar de soort aangeduide goederen, welke de verkooper bij het sluiten der overeenkomst nog van anderen moet betrekken. — Koop en verk. tusschen echtgenooten is slechts in enkele gevallen geoorloofd (1503 B.W.). Artt. 1504-1506 B. W. verbieden voor daar aangeduide gevallen aan aldaar genoemde categorieën van personen op grond van hunne hoedanigheid of werkzaamheden als koopers op te treden. — Indien het verkochte goed reeds op het oogenblik van den koop geheel mocht vergaan zijn, is de koop nietig.

Bijaldien slechts een gedeelte vergaan is, staat het aan den kooper vrij om òf den koop te laten varen, òf het behouden gebleven gedeelte te vorderen en den koopprijs daarvoor bij vergelijkende waardeering te doen bepalen (1508 B. W.). — Na het sluiten der overeenkomst is, tenzij anders is bedongen, het risico, aan de zaak verbonden, dadelijk bij den kooper, ook indien de levering nog niet heeft plaats gehad (1496 B. W.). Deze bepaling zal zelden beantwoorden aan de bedoeling van partijen. Zij geldt bij verkoop van zekere en bepaalde voorwerpen en ook ingeval goederen bij de hoop verkocht zijn (1498 B. W.). Bij verkoop bij gewicht, getal of maat kan zij natuurlijk eerst na weging, telling of meting gelden (1497 B. W.). — De taak om te zorgen, dat de koopovereenkomst duidelijk is gesteld, wordt door de wet in het bijzonder aan den verkooper opgedragen: alle duistere en dubbelzinnige bedingen moeten te zijnen nadeele uitgelegd (1509 B.W.) — De hoofdverplichtingen van partijen zijn: voor den verkooper om de zaak te leveren en haar te vrijwaren (15610 B. W.), voor den kooper om den koopprijs te betalen (1549 B. W.). — De levering, waartoe de verkooper verplicht is, is een overdracht van het verkochte goed in de macht en het bezit van den kooper (1511 B. W.); waar de wet echter, zooals bij onroerend goed, voor eigendomsovergang eenige formaliteit voorschrijft, zal de verkooper met een bloot feitelijke overdracht niet kunnen volstaan, maar ook in juridischen zin moeten leveren (vergel. 1495 B. W.). — Indien niet anders is overeengekomen, moet de levering geschieden ter plaatse waar het verkochte goed zich op het tijdstip van verkoop bevond (1513 B. W.). Terzelfder plaatse zal de betaling moeten geschieden (1429 B. W.). — Omtrent het tijdstip van levering en betaling is de wet niet duidelijk. Terwijl art. 1496 B. W. zegt, dat de verkooper dadelijk den koopprijs kan vorderen, en art. 1514, dat hij niet behoeft te leveren, indien de kooper den koopprijs niet betaalt, moeten volgens art. 1550 levering en betaling gelijktijdig geschieden. — Nalatigheid in levering of betaling kan voor de wederpartij grond opleveren voor een eisch tot ontbinding der koopovereenkomst (1516, 1553 B. W.). Natuurlijk kan ook nakoming of schadevergoeding worden gevorderd (1303 B. W.). — Artt. 1520-1526 B. W. bevatten bepalingen voor het geval, dat onroerend goed blijkt van grooteren of kleineren omvang te zijn, dan bij de koopovereenkomst was verondersteld. — Volgens artt. 1502 en 1512 B. W. zijn de kosten der levering ten laste van den verkooper, die der koopakte en bijkomende kosten voor den kooper. Veelal wordt aangenomen, dat volgens deze niet zeer duidelijke regeling de verkooper slechts de kosten der feitelijke levering, de kooper daarentegen die der juridische levering moet dragen. Bij koop van onroerend goed komen dus de mutatierechten (in den regel 2½%, art. 27 Reg. wet) en de kosten van overschrijving in de openb. registers (671 B. W.) ten laste van den kooper. Natuurlijk weder tenzij anders is overeengekomen, zooals ingeval van beding van levering „vrij op naam”. — Kosten van afhaling van het gekochte brengt de wet ten laste van den kooper (1512 B. W.). — Of de kooper tot in ontvangstneming van het gekochte verplicht is, is bestreden. — Heeft de kooper van waren en meubelen op zich genomen deze binnen een bepaalden tijd te doen afhalen, zoo zegt art. 1554 B. W., dat bij niet weghaling binnen dien termijn, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den verkooper, van rechtswege en zonder aanmaning plaats heeft. — Meermalen wordt aan den kooper, die wanprestatie van den verkooper beweert, door dezen tegengeworpen, dat hij door aanvaarding van het gekochte zijn recht om op wanprestatie een beroep te doen, heeft verloren. Wie immers eenmaal genoegen heeft genomen met de prestatie zijner wederpartij kan daarop niet terugkomen. Of werkelijk is aanvaard, moet voor ieder geval afzonderlijk worden beoordeeld.

Het in ontvangst nemen van het door de wederpartij aangebodene kan zeker niet steeds als aanvaarding gelden. Regelen geeft de wet omtrent deze aangelegenheid niet. Slechts bepaalt art. 99 K., dat de bepalingen voor in ontvangstneming van door binnenschippers en voerlieden vervoerde goederen hier niet gelden. — Zie voor koop op proef, op monster, op afbetaling de betreffende artt., ook voor verkoop met recht van wederinkoop, verk. f. o. b., c. i. f.; voor verkoop van een verhuurde zaak („koop breekt geen huur”), zie HUUR. — Vrijwaringsplicht van den verkooper. Deze geldt 1) het rustig en vreedzaam bezit van het verkochte; 2) verborgen gebreken daarvan. Ad 1. Ook zonder beding daaromtrent is de verkooper van rechtswege verplicht den kooper te vrijwaren voor uitwinning van het geheele goed of van een deel daarvan en ook voor lasten, welke op het goed mochten rusten en die bij bij het aangaan van den koop niet zijn opgegeven (1528 B. W.). Deze vrijwaringsplicht kan bij overeenkomst worden uitgebreid of beperkt (1529 B. W.). Zelfs indien de verkooper van alle vrijwaring wordt ontheven, blijft hij toch aansprakelijk voor zoover de storing voortvloeit uit daden door hem zelf verricht; overeenkomsten, die hem ook daarvan zouden ontslaan, zijn nietig (1530 B. W.). Uitsluiting van elken vrijwaringsplicht ontslaat den verkooper ook niet van zijn gehoudenheid om, in geval van uitwinning, den koopprijs aan den kooper terug te geven, tenzij deze ten tijde van den koop het gevaar van uitwinning mocht hebben gekend of de zaak op eigen bate en schade hebbe gekocht (1531 B. w.). — Den omvang van den vrijwaringsplicht regelen verder artt. 1532-1535 voor uitwinning van het geheele goed, artt. 1536 en 1537 voor uitwinning van slechts een gedeelte daarvan. Art. 1538 voorziet in het geval, dat het goed blijkt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden, welke den kooper niet bekend zijn gemaakt en waarvan hij geen kennis kon dragen. — De vrijwaring ter zake van uitwinning houdt op, indien de kooper zich heeft laten veroordeelen zonder den verkooper in het geding te roepen en deze bewijst, dat er genoegzame gronden aanwezig waren om den eisch te doen ontzeggen (1539 B. W.). — Ad 2. Vrijwaring voor verborgen gebreken. Deze moeten van dien aard zijn, dat ze het goed ongeschikt maken voor het gebruik waartoe het bestemd is, of dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed òf in het geheel niet, òf niet dan voor een minderen prijs zou gekocht hebben (1540 B. W.). De verkooper is niet gehouden in te staan voor zichtbare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken (1541 B. W.). Voor de verborgen gebreken moet hij echter instaan, al is hij ook daarvan zelf onkundig geweest, tenzij voor dat geval de vrijwaring uitdrukkelijk is uitgesloten (1542 B. W.) — De aanwezigheid van verb. gebr. geeft aan den kooper de keus om, met teruggave van het goed, den koopprijs terug te vorderen of, met behoud van het goed, een door den rechter te bepalen deel van de koopsom terug te eischen (1543 B. W.). Zie verder artt. 1544-1546 B. W. Art. 1547 B. W. bindt het instellen van een vordering op grond van verb. gebr. aan een korten termijn, welke volgens den Hoogen Raad (16 Mei 1913, N. J. 1913 : 738) begint te loopen, zoodra de kooper in de gelegenheid is het gekochte te onderzoeken. Ten opzichte van hetgeen op executoriale verkoopingen (met inbegrip van verkoopingen kr. 1223 B. W.) is gekocht, kan de kooper op geenerlei vrijwaring aanspraak maken (zie art. 1548, dat echter te beperkt luidt).

Koop van vorderingen. Hiervoor bevatten artt. 1569-1576 B. W. nog eenige bijzondere bepalingen. Deze koop omvat al hetgeen tot de vordering behoort als borgtochten, voorrechten en hypotheken (1569 B. W.). Hij die een inschuld of ander onlichamelijk recht verkoopt, moet instaan voor het aanwezen daarvan ten tijde der levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte van vrijwaring mocht hebben plaats gehad (1570 B. W.). Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den schuldenaar niet verantwoordelijk, tenzij hij zich daartoe verbonden mocht hebben en slechts ten beloope van den koopprijs, welken hij ontvangen heeft (1571 B. W.). Indien hij zonder meer beloofd heeft te zullen instaan voor genoegzame gegoedheid van den schuldenaar, strekt deze belofte zich slechts uit tot de tegenwoordige gegoedheid (1572 B. W.). Artt. 1573-1575 B. W. hebben betrekking op verkoop van een erfenis in haar geheel.