Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Gepubliceerd op 06-12-2018

Bezit

betekenis & definitie

Bezit. Door b. wordt verstaan het houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander in zijn macht heeft, alsof zij hem toebehoorde (art. 585 B.W.). Bezit berust dus op twee factoren: 1) de macht over de zaak, 2) den wil om als rechthebbende op de zaak te worden beschouwd. Zoowel het feit van het bezitten als het zakelijk recht, daarop gegrond, worden als hezit aangeduid. — Het b. onderscheidt zich van bet eigendomsrecht door den feitelijken grondslag, waarop het rust. Veelal echter is de bezitter tevens eigenaar. In het dagelijksch leven worden bezit en eigendom dan ook dikwijls als hetzelfde beschouwd. — Naast het hier bedoelde b., zgn. burgerlijk b., spreekt men ook van natuurlijk b., detentie.

Degene, die macht heeft over een zaak, de zgn. houder, oefent die hier niet uit met den wil van rechthebbende op de zaak, maar als vertegenwoordiger van een derde of ook alleen met het doel om de zaak (die aan een ander, maar ook aan niemand kan toebehooren) tijdelijk te gebruiken. Dit houderschap kan berusten op een contractueelen band met dengene, voor wien men houdt, b.v. huur, bruikleen enz. — Men wordt steeds geacht voor zich zelven te bezitten, zoolang het niet bewezen is, dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten (art. 590 B.W.). — B. is te goeder of te kwader trouw (art. 586); het laatste is bij burgerl. b. het geval, wanneer de bezitter kennis draagt, dat de zaak aan hem niet in eigendom toebehoort (art. 588). Goede trouw wordt steeds verondersteld; wie kwade trouw beweert, moet haar bewijzen (art. 589). — Alle zaken (de zakelijke rechten en de schuldvorderingen daaronder begrepen) zijn vatbaar voor b., behalve die, welke niet in den handel zijn, en de niet-voortdurende of niet-zichtbare erfdienstbaarheden (art. 593). — B. wordt verkregen of door eigen daad of door die van een vertegenwoordiger (art. 596). — Bij overlijden gaat het op den erfgenaam over (art. 597). — Men kan het b. vrijwillig opgeven (artt. 599, 600), maar ook onvrijwillig verliezen (artt. 601—603). — Aan het b. zijn verschillende rechtsgevolgen verbonden, in hoofdzaak bestaande in bescherming ervan en daarin, dat de bezitter tot het tijdstip eener eventueele gerechtelijke terugvordering als eigenaar wordt aangemerkt. Verder zijn zij verschillend naar gelang het b. is te goeder of te kwader trouw (artt. 604, 605). De bezitter te goeder trouw kan door verjaring den eigendom der zaak krijgen (art. 604). Voor roerende zaken, die noch in renten bestaan, noch in in schulden, welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt, zooals art. 2014 B. W. zegt, b. als volkomen titel (Fr. en fait de meubles possession vaut titre), eene bepaling echter die niet op het b. maar op de eigendomsverkrijging van roerende goederen betrekking heeft. Zie EIGENDOM.