Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

Gepubliceerd op 27-06-2020

2020-06-27

kaart

betekenis & definitie

v./m. (-en), 1. speelkaart: kaarten van verschillende kleur; een spel kaarten; alles op één — zetten, zijn geluk van één enkele handeling laten afhangen; in het mv. of in het enk. als coll. van een volledig stel: een bespeelde —, een spel kaarten waarmee reeds gespeeld is; een nieuwe —; de — geven, steken, afnemen, couperen: de kaarten doorschieten, wassen; de — vergeven, vals geven; een partijtje, een potje —; (gew.) met de kaarten spelen, kaarten; doorgestoken —, afgesproken spel; de — leggen, waarzeggen uit op een bepaalde wijze gelegde kaarten;

2. het spel kaarten dat iemand toebedeeld is: een mooie —; goede kaarten hebben, voordelig om te spelen; iemand in de — kijken of zien, (fig.) zijn geheime plannen, bedoelingen enz. doorzien; zich in de — laten kijken, zijn plannen, bedoelingen voor anderen niet weten te verbergen; in de — van de tegenpartij spelen, onbedoeld of zelfs tegen zijn bedoeling de plannen van de tegenpartij bevorderen; (met) open — of — op tafel spelen, niets verbergen; zijn kaarten op tafel leggen, zijn bedoelingen en mogelijkheden openlijk tonen; (spr.) de gekken krijgen de —, het geluk helpt de onverstandigen of dommen; de — is gekeerd, de kans is gekeerd; van de — zijn, de kluts kwijt zijn; (ook) geen rol meer spelen, afgedaan hebben;
3. rechthoekig, groter of kleiner stuk dun karton (kaarteblad) voor een bijzonder doel, om te beschrijven of met het een of ander bedrukt of beschreven, b.v. een correspondentiekaart, een blad van een kaartregister enz.; in het bijzonder bewijs van toegang, toegangskaart: deze — geeft toegang tot alle zalen van het museum; heb je al kaarten voor het concert van vanavond?; ook als verkorting van (prent)briefkaart: ik kreeg een — van hem uit B.; verlovings-, trouw- of rouwkaart: in plaats van kaarten; spijs-, staalkaart enz.; (sport) een gele -, getoond aan overtreders van een spelreglement; (sport) een rode —, straf toekenning waarbij de voetballer het veld moet verlaten; de groene kaart, internationale verzekeringspas voor motorvoertuigen, geldig in Westeuropese landen met verplichte WA-verzekering;
4. blad met een schematische, verkleinde voorstelling van de aarde of een deel daarvan, van een zee met haar ondiepten, stromingen enz. of van de hemel: een — van Europa, van Zuid-Holland, van Parijs (bij steden spreekt men echter gewoonlijk van plattegrond); plaatsen op de — aanwijzen; topografische —, op een schaal van 1/50.000 tot 1/150.000; hydrografische, geologische, meteorologische, historische kaarten; een blinde —, waarop de ligging van plaatsen, rivieren enz. is aangegeven, zonder bijvoeging van de naam; een terrein in — brengen, er een kaart van vervaardigen; (zeevaart) de — prikken, het bestek op de kaart afzetten; de — kunnen lezen, de tekens die erop voorkomen begrijpen en zich ermee kunnen oriënteren;
5. stichtingsoorkonde van een schuttersgilde, waarin de reglementen zijn opgetekend;
6. (ook: vlaggenkaart), prent (ca. 75 cm x 60 cm) met afbeeldingen van vlaggen der gehele wereld sedert de tweede helft van de 17e eeuw uitgegeven ten dienste van de zeevaart.