Een handvol goede tuingrond bestaat uit een mengsel van vele stoffen. In de eerste plaats zitten er heel kleine stukjes gesteente in, overblijfselen waarschijnlijk van verscheidene steensoorten.
Verder bevat zo’n handvol aarde de weggerotte stengels, wortels en bladeren van dode planten en de vergane resten van duizenden kleine dieren. Waarschijnlijk krioelt een handvol aarde ook van dieren, die nog levend zijn. En naar alle waarschijnlijkheid kunnen we in dat kleine beetje grond ook miljoenen bacteriën vinden: zeer eenvoudige planten, die alleen onder de microscoop zichtbaar worden.Het is niet gemakkelijk om te begrijpen hoe ontzaglijk belangrijk ‘grond eigenlijk wel is. Geen dier, geen mens zou op aarde kunnen leven als er geen groene planten waren: de onvervangbare voedselmakers van de aarde. Maar groene planten zouden niet kunnen groeien als ze geen voedingsstoffen zouden kunnen betrekken uit de bodem. Ze hebben grond nodig om daar water en mineralen uit te kunnen halen.
Toen de aarde nog heel jong was, bestond er nog geen grond. De massieve rotsen waaruit het land was opgebouwd, hadden namelijk nog geen tijd gehad om uiteen te vallen in miljarden kleine schilfertjes, die zo’n belangrijk bestanddeel van de grond uitmaken. We leven nu miljarden jaren later. Bijna alle rotsbodem is thans bedekt met een laagje grond, dat op veel plaatsen meters dik is. Die laag is meestal samengesteld uit twee gedeelten of lagen. De onderste laag, de ondergrond, bestaat meestal uit stukjes steen. De bovengrond daarentegen bestaat uit fijne rotsdeeltjes en is vooral zo belangrijk, omdat hij de levende planten en dieren en de vergane resten bevat, die in het begin van dit artikel al genoemd zijn.
Er zijn talrijke soorten grond. Vreemd is dat niet, want ook het aantal rotssoorten, waaruit grond ontstaan is, is groot. Ook het klimaat heeft iets te maken met de soort grond, die we ergens aantreffen. Er is zwarte, rode en gele grond; er is een belangrijk onderscheid tussen zandgrond en kleigrond. Grond kan zuur zijn, nat, droog, vruchtbaar, los, vast, brokkelig of taai.
Om geschikt te zijn voor de verbouw van gewassen moet een grondsoort alle mineralen bevatten, die een plant nodig heeft. De grond mag niet te vast zijn want de wortels van de planten hebben lucht nodig; hij moet water vast kunnen houden, omdat geen plant zonder water groeien kan - maar tegelijkertijd moet hij na een regenbui water kunnen doorlaten, omdat anders de plantenwortels gaan wegrotten.
Grond, ook ‘rijke’ grond, raakt uitgeput als er geen zorg aan besteed wordt. De mineralen, die de planten aan de bodem onttrekken, moeten op een of andere manier aangevuld worden. Soms gebeurt dat door het land te bestrooien met kunstmest; soms ook door er enkele jaren lang een gewas op te kweken dat in zijn wortels woonruimte biedt aan een speciaal soort bacterie, die de grond verrijkt met stikstof. Klaver is bijvoorbeeld zo’n gewas; luzerne is een ander.
Water en wind doen dag in dag uit hun best om grond weg te halen van onze landerijen. Na een zware regenbui begint het water de rijke bovengrond weg te spoelen in de richting van de rivieren. Alle rivieren van de wereld tezamen deponeren elke dag miljoenen tonnen vruchtbare grond in zee, waar hij verder van geen enkel nut is. Wind doet hetzelfde: hij voert de vruchtbare bovenlaag mee om ze honderden kilometers verder weer af te zetten op plaatsen, waar hij van geen of weinig betekenis is. In de loop der tijden heeft de mens verscheidene methoden ontwikkeld om aan deze ongewenste afbraak een einde te maken. Het planten van laaggroeiende gewassen is er een van; het op de juiste wijze beploegen van een stuk land een andere.
Stukken land, waarvan de vruchtbare bovenlaag eenmaal verdwenen is, kunnen slechts zeer moeilijk weer voor bebouwing geschikt gemaakt worden. Weliswaar wordt er ook nu nog steeds grond gevormd uit massieve rots maar de wetenschap vertelt ons, dat dit een proces van miljarden jaren is. Er rest ons dus slechts één ding: te voorkomen, dat wind en water onze landbouwgebieden aantasten.