Stad betekenis & definitie

Stad Gods, (het hemelse) Jeruzalem; stad.

In de bijbel wordt met de stad Gods wel Jeruzalem bedoeld, zoals in Psalmen 87:3, ‘Heerlijke dingen zijn van u te zeggen, o gij stad Gods!’ (NBG-vertaling). De archaïsche verbinding met genitief treffen we niet meer in de NBV aan; hier staat ‘stad van God’. Gebruik van deze verbinding in de betekenis ‘stad’, zoals wij die in hedendaags Nederlands hebben aangetroffen, is ook niet meer in de NBG-vertaling te vinden, maar wel in de Statenvertaling (1637) in Jona 3:3, ‘Nineve nu was eene groote stadt Godts, van drie dachreysen’. Op deze plaats zal de uitdrukking dan ook teruggaan.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Jona 3:3. Ni[n]e[u]e was een grote stadt Gods, drie dach reysen groot.

Gebruiksvoorbeeld: De reeds zeer oude Mandalasymbolen uit het Verre Oosten, het beeld van het hemelse Jeruzalem, de Stad Gods uit de Apocalyps, zoals dit in het derde boek van de ‘Divina Comedia’ verschijnt in de vorm van een grote, doorlichte hemelroos’. (De Nieuwe Eeuw, 19-6-1948)

Gebruiksvoorbeeld: Hij genoot van de heldere vlakken van land, lucht en water en bedacht dat het schip toch een mooie uitvinding was: het had van een hindernis een hulpmiddel gemaakt -- de zeeën en rivieren tot pleinen en straten van een grote stad Gods. (P.F. Thomése, Zuidland, 1990, p. 62)