Bijbel betekenis & definitie

Bijbel, de gezamenlijke boeken van het Oude en Nieuwe Testament, het heilige boek van de christenen; (fig.) gezaghebbend, omvangrijk naslagwerk op een bepaald gebied; boek dat een richtsnoer is voor een bepaalde groep mensen.

Bijbels, als in de bijbel, passend bij de inhoud van de bijbel.

Bijbel is via Latijn biblia ontleend aan het Grieks en betekent letterlijk ‘boeken’. Het Middelnederlandse bible zal door het Frans beïnvloed zijn. De bijbel zelf kent het woord niet. Vanuit de optiek van de verschillende schrijvers bestond ‘de bijbel’ immers nog niet. Wel worden er onderdelen van de inhoud genoemd als de wet, de profeten, het evangelie en met een specifieke betekenis ook de Schrift. De Latijnse vorm bleef lang gehandhaafd, zie nog Biblia op het titelblad van de Statenvertaling (1637).

Bijbelcitaat: Rijmbijbel (1271), v. 790. Also noemt di bible mj. (Zo vertelt de bijbel het me.)

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Titelblad tweede deel: Dat anderde deel der bibelen.

Gebruiksvoorbeeld: [Over het Woordenboek der Nederlandsche Taal:] De complete bijbel der Nederlandse Taal. (Het Vaderland, 23-8-1961, p. 5)

Gebruiksvoorbeeld: Jack Kerouacs ‘On the Road’ werd in de jaren zestig de bijbel van een generatie rugzakhippies op zoek naar het leven voorbij de maatschappijkritiek. (NRC, 15-1-1999, p. 31)

Gebruiksvoorbeeld: [...] toen een heel dikke gevangene, als door een bijbels wonder ineens gezond en goed ter been geraakt, uit zijn bed opstond. (W.L. Brugsma, Europa Europa, 1983, p. 52)

Gepubliceerd op 11-05-2017