Plaag betekenis & definitie

Plaag, door God gezonden onheil, ramp e.d. als straf.

De bekendste in de bijbel beschreven plagen -- door God als straf uitgedeelde (natuur)rampen -- zijn de tien plagen van Egypte (zie aldaar), maar ook in het bijbelboek Openbaring komen er heel wat voor. Zie bijvoorbeeld Openbaring 16:9, ‘De grote hitte verzengde de mensen en ze lasterden de naam van God, die macht heeft over deze plagen. Ze toonden geen berouw en bewezen hem geen eer’ (NBV).

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Openbaring 16:9. Ende den menscen wert heet van groter hitten, ende lasterden den naem gods, dye macht heeft ouer dese plagen, ende en deden geen boete om hem den prijs te geuen.

Gebruiksvoorbeeld: Heel het Kempenland lag toegedekt met een meterdikke deken van pure sneeuw en er scheen geen eind te komen aan de plagen, die ’s Lieveneer met gulle hand over zijn armste kostgangers uitstrooide. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 7)

Gebruiksvoorbeeld: [...] en zo vindt over een jaar of tien de hele dierenwereld en mensheid een gewisse dood. ‘Dat is de laatste plaag uit de Openbaringen,’ zegt mijn vader, ‘daar komt geen bom of soldaat meer aan te pas, Gods molens draaien langzaam maar zeker...’ (J.M.A. Biesheuvel, Zeeverhalen, 1985, p. 62)

Gepubliceerd op 11-05-2017