Naam betekenis & definitie

Gods naam ijdel gebruiken, Gods naam zinloos, onterecht gebruiken, ofwel: vloeken.

Een naam, bepaalde woorden e.d. ijdel gebruiken, iets zonder reden zeggen of noemen; valselijk, leugenachtig, onwaar over iets of iemand spreken.

Deze uitdrukking gaat terug op een van de Tien Geboden; Exodus 20:7, ‘Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt’ (NBG-vertaling). Deze woorden worden nog steeds in hun oorspronkelijke vorm gebruikt, met als betekenis ‘vloeken’, maar ze worden ook toegepast op andere zaken. De NBV heeft de formulering aangepast aan het hedendaags Nederlands: ‘Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan’.

Bijbelcitaat: Statenvertaling (1637), Exodus 20:7. Ghy en sult den name des HEEREN uwes Godts niet ydelick gebruyken. (IJdel komt in de door ons bekeken vertalingen voor het eerst voor in de vertaling van Obbink en Brouwer, 1934.)

Gebruiksvoorbeeld: ‘Ik gebruik Zijn Naam ijdel en ik heb er alle reden toe!’ schreeuwde de grijsaard verscheidene malen, nadat hij [...] had [...] geconstateerd dat zijn duitjes [...] verdwenen waren. (R. Campert, Het leven is vurrukkulluk, 1967 (1961), p. 82)

Gebruiksvoorbeeld: Het moge duidelijk zijn: burgemeester Plomp laat de naam van zijn gemeente [Staphorst] niet ijdel gebruiken. Door niemand. (Meppeler Courant, sept. 1994)

Gebruiksvoorbeeld: En liefde scheen haar het Woord te zijn dat niet ijdellijk mocht gebruikt worden: als zij het woord god uitsprak betekende dat niet hemel en aarde, want men moest de lichamelijke genoegens ontvluchten en vertwijfelend vechten tegen allerlei demonen... maar als zij het woord liefde uitsprak dan betekende dat Alles, dan was dat het toverwoord waarmee hemel en aarde aan elkander verbonden werd. (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956), p. 94-95)

Gebruiksvoorbeeld: ‘De geesten der gestorvenen zijn nog onder ons, meneer Feng,’ vermaande de rechter hem, ‘gebruik hun naam niet ijdel.’ (R. van Gulik, Het rode paviljoen, 1990 (1961), p. 134)

Naam maken, bekendheid en roem verwerven, een bepaalde reputatie krijgen.

Of naam maken aan de bijbel is ontleend, blijft onzeker. Naam is immers een algemeen bekend beeld voor ‘bekendheid, roem’. Er staat gewoonlijk een object bij: iemand anders een naam maken, zichzelf een naam maken. Vgl. 2 Samuël 7:23, ‘En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, het enige volk op aarde, dat God Zich tot een volk ging vrijkopen, om Zich een naam te maken’ (NBG-vertaling; de NBV heeft hier ‘om voor zichzelf een naam te vestigen’), en 1 Kronieken 17:8, ‘Ook zal Ik u een naam maken gelijk die van de groten der aarde’ (NBG-vertaling; de NBV heeft hier ‘ik heb je naam gevestigd’). Dat object uit de oudere vertalingen ontbreekt in hedendaags gebruik, evenals het onbepaald lidwoord.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), 1 Kronieken 17:8. [...] ende hebbe v eenen name ghemaect als dye groote opter aerden namen hebben.

Gebruiksvoorbeeld: In de Kempen, in de Peel, boven de grote rivieren en overal langs de route naar Sleeswijk-Holstein hadden zij naam gemaakt om hun degelijke waar. (A. van der Lugt, De Claere Waerheit, 1992, p. 21)

Gebruiksvoorbeeld: Jean-Luc Dehaene heeft naam gemaakt als bouwer van kompromissen. (De Standaard, dec. 1995)

Gepubliceerd op 11-05-2017