Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

Gepubliceerd op 18-10-2023

Lodewijk GROOTAERS

betekenis & definitie

Vlaams taalkundige (Tongeren 9 Aug. 1885), is hoogleraar aan de R.K. universiteit te Leuven, waar hij belast is met de experimentele fonetiek en de Nederlandse dialectologie. Hij promoveerde in 1907 te Leuven op De Klankleer van het Dialect van Tongeren; neemt sedert 1920 het redactiesecretariaat der Leuvensche Bijdragen waar; richtte in 1921 de Zuidnederlandse Dialectcentrale op en leidt, met G.

G. Kloeke, de Noord- en Zuidnederlandsche Dialectbibliotheek (I -VII 1926 - w., alsmede de Nieuwe Noord- en Zuidnederlandsche Dialectbibliotheek, Dl I, Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland, 1939 w.). Werkend lid van de Kon. VI. Acad. voor taal- en letterkunde.Bibl.: Het dialect van Tongeren (Leuv. Bijdr. VIII en IX, 1908-1910); Handleiding bij het Noord- en Zuidnederlandsch Dialectonderzoek (met G. G. Kloeke, 1926); De Klankleer van het Hasseltsch Dialect (met J. Grauls, 1931); Fransch-Nederlandsch en Nederlandsch-Fransch Woordenboek (8ste dr., 1947) J bewerking van de 4de, 5de en 6de dr. (1948) van Lecoutere’s Inleiding tot de Taalkunde.

< >