Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Gepubliceerd op 17-06-2022

Alabama-geschil

betekenis & definitie

noemt men het diplomatiek en volkenrechtelijk strijdpunt, ontstaan rondom het schip de Alabama na 1862. Toen tijdens de oorlog tussen de Noord-Amerikaanse en de afgescheiden Zuidelijke Staten (Amerikaanse secessieoorlog; 1861-1865), de eerste de kusten der Zuidelijken hadden geblokkeerd, trachtten deze zich in het neutrale buitenland van kaperschepen te voorzien.

Zo gaven zij in 1862 opdracht te Liverpool een schip, de Alabama, uit te rusten. Nog tijdens de bouw van dit schip vestigde de Amerikaanse consul te Liverpool hierop de aandacht der Britse regering en verzocht hij de inbeslagneming van het schip. De Engelse autoriteiten rekten de beslissing en op 29 Juli 1862 voer de Alabama, inmiddels afgebouwd, voor een proefvaart uit. Het schip, dat van deze proefvaart niet terugkeerde, was toen nog ongewapend en niet van oorlogsmanschap voorzien. Gedeeltelijk nog in de Engelse kustwateren en voor de rest ter hoogte van de Azoren kreeg het van de Agrippina en de Bahama en van enige andere, eveneens Engelse schepen, zijn bewapening en officieren en begon onder commando van Captain Sommes van daar op vaartuigen van de Noordelijke Staten te kruisen. Gedurende twee jaren bracht het daarbij grote schade aan de handel der Noordamerikanen toe, totdat het op 19 Juni 1864 in het Kanaal ter hoogte van Cherbourg door den Amerikaansen kaper Kearsarge in de grond werd geboord. Op overeenkomstige wijze werden nog de kaperschepen Florida, Georgia en Shenandoah in opdracht van de Zuidelijke Staten in Engeland uitgerust. Dit alles verwekte grote verontwaardiging in de V.S. Men zag in de houding van Engeland, dat het uitrusten en uitvaren van deze schepen niet had verhinderd, een schending van de neutraliteit en dit nog te meer, daar ze door Engeland verder als schepen van een oorlogvoerende mogendheid werden behandeld en verscheidene malen Engelse havens binnenliepen zonder daar te worden vastgehouden. De Amerikaanse regering diende bij de Britse een eis tot vergoeding der aangerichte schade in. Gedurende de oorlog kon geen overeenstemming worden bereikt. Een van Amerikaanse zijde voorgestelde scheidsrechterlijke procedure werd door Engeland van de hand gewezen. Na afloop van de oorlog kwamen de Amerikanen met grote vasthoudendheid op hun eisen terug. De onenigheid liep zo hoog op, dat een ogenblik de vriendschappelijke betrekkingen tussen beide landen dreigden te worden verstoord. Eindelijk werd men het in beginsel eens over een oplossing langs scheidsrechterlijke weg. Een op 14 Jan. 1869 opgesteld protocol voorzag in een onderzoek van een gemengde Engels-Amerikaanse commissie, welke de vraag, of Engeland gerechtigd was de Zuidelijke Staten als oorlogvoerende partij te erkennen, bij haar onderzoek buiten beschouwing zou moeten laten. De Amerikaanse senaat echter verwierp bijna eenstemmig dit protocol. Na langdurige onderhandelingen kwam daarop te Washington het Engels-Amerikaans arbitrage-verdrag van 8 Mei 1871 tot stand. Dit verdrag voorzag in een uitspraak van een scheidsgerecht voor de kwestie van de Alabama en van de andere kaperschepen van de Zuidelijke Staten. In dit scheidsgerecht, dat uit vijf personen zou bestaan, zouden naast een Engelsman en een Amerikaan, een Braziliaan, een Italiaan en een Zwitser zitting hebben. Van bijzonder belang was echter, dat beide partijen overeenkwamen, dat de scheidsrechters bij de beoordeling van het geschil aan zekere door haar vastgestelde regels zouden zijn gebonden.Deze regels, bekend geworden onder de naam „de drie regels van Washington” luiden: „Een onzijdige regering is verplicht:

1. de noodzakelijke zorgvuldigheid (due diligence) aan te wenden in het verhinderen van de uitrusting, bewapening en bemanning van enig schip, waarvan zij met redelijke grond kan vermoeden, dat het bestemd is om tegen een mogendheid, met welke zij in vrede leeft, te kruisen of oorlog te voeren, en ook gelijke zorgvuldigheid aan te wenden door het vertrek uit haar rechtsgebied te verhinderen van enig schip, bestemd om te kruisen of oorlog te voeren, als bovenbedoeld, indien zodanig schip speciaal geheel of voor een deel binnen haar rechtsgebied voor oorlogsdoeleinden is geschikt gemaakt;
2. niet toe te laten of te dulden, dat een der oorlogvoerenden van haar havens of wateren gebruik maakt als basis van maritieme operatiën tegen de andere, of tot het vernieuwen of vermeerderen van zijn oorlogsvoorraden of wapens, of voor het recruteren van manschappen;
3. in haar eigen havens en wateren en ten opzichte van alle zich binnen haar rechtsgebied bevindende personen met de noodzakelijke zorgvuldigheid elke schending van voormelde verplichtingen en plichten te verhinderen.”

Hoewel de Britse regering in het verdrag de uitdrukkelijke verklaring liet opnemen, dat naar haar oordeel deze regels ten tijde van het uitlopen der schepen niet van kracht waren, verenigde zij, als bewijs van haar verlangen de vriendschappelijke betrekkingen tussen de beide landen te versterken, er zich mede, dat de scheidsrechters er van zouden uitgaan, dat de regering overeenkomstig deze regels had willen handelen.

Op 15 Dec. 1871 kwam het scheidsgerecht te Genève bijeen. Het hield 32 zittingen en gaf op 14 Sept. 1872 zijn beslissing. Daarbij stelde het vast, dat Engeland de drie regels had overtreden, en veroordeelde het dit land tot betaling van een schadeloosstelling van $ 15 500 000. Deze uitspraak werd door beide partijen erkend en uitgevoerd.

Bij het vaststellen van het compromis waren de regeringen van Engeland en de V.S. overeengekomen de drie regels voortaan als bindend te beschouwen en de overige staten uit te nodigen hetzelfde te doen. Bij gebreke aan overeenstemming omtrent een juiste redactie tengevolge van de onduidelijkheid van de betekenis der woorden „due diligence”, gerezen door de uitlegging, welke het scheidsgerecht er aan gegeven had, is dit echter achterwege gebleven. Niettemin kan worden vastgesteld, dat door het compromis de destijds geenszins algemeen aanvaarde stelling, dat het aan onzijdige regeringen verboden was op haar gebied tijdens oorlog de uitrusting ten behoeve van en de levering aan oorlogvoerenden van oorlogsvaartuigen toe te staan, tot regel van volkenrecht was gemaakt. Tot dat tijdstip was de ondersteuning van oorlogvoerende staten met oorlogsmaterieel, welke dan ook, uit enig onzijdig land nooit als schending der neutraliteit opgevat, mits de onzijdige staat niet zelf de leverancier daarvan was. Ten aanzien van oorlogsvaartuigen was hier nu een eind aan gekomen. In het als het Zee-onzijdigheidsverdrag bekende verdrag XIII, op de Tweede Haagse Vredesconferentie in 1907 aanvaard, zijn de drie regels van Washington opgenomen, zij het met enkele wijzigingen, gewenst geworden wegens bovenvermelde onduidelijkheid.

MS L. V. LEDEBOER

Lit.: C. Cushing, Le traité de Washington, sa négociation, sa mise k exécution, et les discussions auxquelles il a donné lieu, (Paris 1874); J. Loudon, De „Drie regelen” van het Tractaat van Washington (Leiden 1890); Th. W. Balch, The Alabama arbitration (Philadelphia 1900); H. Bonfils, Manuel de Droit International public (Paris 1901); O. P. Geissier, Die Washingtoner Regeln und ihr Fortleben in Haager seekriegsrechtlichen Neutralitätsabkommen (Würzburg 1932).