Maag betekenis & definitie

De maag is een belangrijk ingewand van het dierlijk ligchaam. Hoogst merkwaardig is de maag der herkaauwende dieren; wij hebben haar in het artikel Herkaauwende dieren beschreven en die beschrijving met afbeeldingen toegelicht, zoodat wij ons thans bij de maag der niet-herkaauwende kunnen bepalen.

Beneden het middenrif zet de slokdarm zich uit tot een ruimen zak, maag genaamd en in het bovenste gedeelte der buikholte gelegen (fig. 1). Het gedeelte, dat in het ligchaam naar de linker zijde gelegen is (L), heeft meer wijdte dan dat, hetwelk zich naar de regter zijde (R) uitstrekt. In het eerste gedeelte loopt de slokdarm (S) uit, en in het tweede ontspringt het trechtervormige begin van den twaalfvingerigen darm (Z). Daar de beide openingen der maag zich niet tegen elkander over, maar aan de bovenzijde bevinden en de maag zich in den blinden zak (g) nog verder naar de linker zijde uitstrekt, terwijl zij voorts eene zekere, met de holle zijde naar boven gekeerde kromming bezit, zoo is de afstand van de beide maagmonden veel korter aan de bovenzijde dan aan de benedenzijde. Men geeft aan eerstgenoemde den naam van kleine (k) en aan laatstgenoemde dien van groote bogt of maagkromming (K). Terwijl slokdarm en maag niet door eene naauwkeurige grens gescheiden zijn, maar allengs in elkander overgaan, is de regter zijde van de maag door eene insnoering (q) en van binnen door eene ringvormige plooi van het slijmvlies, de portier (pylorus) genaamd, gescheiden van den twaalfvingerigen darm. De grootte van de maag is zelfs bij gezonde menschen zeer verschillend; zij kan intusschen in ziekelijken staat zoo wijd worden, dat zij zich tot in de holte van het bekken uitstrekt, of ook zich zamentrekken tot zoo kleinen omvang, dat men er naauwelijks eene vuist in zou kunnen bergen. Het eerste geschiedt bij hen, die gewoon zijn veel te eten of ook wel bij eene ziekelijken sluiting van den portier, bijv. bij brandewijndrinkers.

Doorgaans is zij van voren geheel bedekt door de linker leverkwab en komt slechts ter breedte van eenige vingers onder deze te voorschijn. De blinde zak ligt grootendeels beneden de onderste ribben, terwijl het gedeelte bij den portier geheel onder de lever bedolven is en aan de galblaas grenst. Zoodra de maag gevuld wordt, dringt de groote bogt naar voren, en daarenboven verandert zij bij elke in- en uitademing van stand; zij wordt namelijk bij de eerste naar beneden gedrukt, terwijl zij bij de tweede naar boven rijst. De holte beneden het borstbeen noemt men den maagkuil. Aan de buitenzijde is de maag omgeven door eene uitbreiding van het buikvlies, alzoo door een dun, maar sterk, uit bindweefsel en veerkrachtige vezels gevormd weivlies, dat van buiten uit eene enkelvoudige laag nagenoeg ronde, veelhoekige cellen bestaat, maar naar de binnenzijde in een los celweefsel overgaat, waarmede het aan het volgend omkleedsel van de maag is vastgehecht. Dit weivlies van de maag is glibberig en glad, zoodat het gemakkelijk langs de aangrenzende deelen kan glijden, wanneer de maag in beweging komt. Het volgend maagbekleedsel is zamengesteld uit gladde spiervezels, namelijk uit lange, platspoelvormige of lintvormige, voor zamentrekking vatbare cellen, die digt bij elkaâr liggen en lagen van spiervezels vormen. Bij deze onderscheidt men drie hoofdrigtingen, namelijk eene overlangsche (lm, fig. 2, welke eene doorsnede voorstelt van den maagwand bij eene dertigvoudige vergrooting), daaronder eene ringvormige (gm), en eindelijk eene schuinsche.

Men ziet, dat door eene afwisselende of gelijktijdige zamentrekking van deze verschillende spierlagen de maag velerlei verandering van gedaante kan ondergaan. Zij zijn trouwens zoowel voor de spijsvertering als voor de voortstuwing der spijzen van de maag naar het darmkanaal van het hoogste belang. Door de regelmatige zamentrekking van den maagwand komt de inhoud van dat ingewand in eene soort van draaijende beweging, met den naam van peristaltische beweging bestempeld. Daardoor wordt de vermenging bevordert van de spijs met de sappen, welke door het slijmvlies van de maag worden afgescheiden. De sterke ringvormige vezels bij den portier verschaffen de mogelijkheid tot eene onwillekeurige vemaauwing of volkomene afsluiting der maagopening, geven aan de vaste en vloeibare stoffen van de maag gelegenheid om zich uit deze te verwijderen, en kunnen de maag geheel en al afsluiten van het darmkanaal. Eene zamentrekking van al de spieren van de maag veroorzaakt eene verwijdering van de daarin aanwezige stoffen, hetzij door den portier, hetzij door den slokdarm. Op die wijze worden dan de gasvormige, vloeibare of vaste stoffen der maag ontlast. Eene eigenlijke braking evenwel wordt niet tot stand gebragt door de werking van de maagspieren alleen, maar door eene gelijktijdige zamentrekking van het middenrif en de buikspieren met gemelde spieren.

Gelijk nagenoeg alle gladde spieren, zoo behooren ook die van de maag tot de onwillekeurige, namelijk tot de zoodanige, welke niet aan onzen wil onderworpen zijn. Zij worden tot werkzaamheid geprikkeld door zenuwen, welke niet in regtstreeks verband staan met dat gedeelte der hersenen, waar onze wil heerschappij voert. Zij ontspringen gedeeltelijk uit de beide zwervende zenuwen of uit de sympathische zenuw of uit zenuwvlechten en vormen vóór en achter de maag een groot, netvormig vlechtwerk van zenuwen. Het vlechtwerk aan de voorzijde draagt den naam van zonnevlecht.

Het belangrijkst gedeelte van de maag is hare binnenste bekleeding, een grijs-roodachtig slijmvlies. Het is door een los weefsel, doorkruist van vaten en zenuwen, aan de binnenste spierlaag vastgehecht. Bij de zamentrekking van den maagwand vormt het talrijke, vaak netvormig geplaatste, vooruitspringende plooijen, maar wanneer de maag zich uitzet, vertoont het zich geheel glad en effen. Zijne binnenzijde is meestal bedekt met slijm, gedeeltelijk afkomstig van bepaalde slijmklieren, gedeeltelijk van trilhaarcellen, die de maag bekleeden. Deze gelijken op de cellen van een honigraat; zij kunnen zich door eene opening ontlasten van haar slijm of ook zelven zich in slijm oplossen, terwijl eene nieuwe laag de oude vervangt. Tallooze, digt bij elkaar gelegene groefjes van het slijmvlies bevatten in rolronde, loodregt in het slijmvlies afdalende, evenwijdig naast elkander geplaatste buizen (l, fig. 2) de lebklieren. Zij bestaan uit een doorzigtig vlies, aan de binnenzijde bekleed met veelhoekige lebcellen, in fig. 3 voorgesteld in eene 350-voudige vergrooting. Zij zijn verschillend van omvang en bevatten behalve eene heldere vloeistof talrijke korreltjes, alsmede eene celkern, en vormen het maagsap. Een net van haarvaten omgeeft elke lebklier en bezorgt haar wat zij tot het vormen van lebcellen noodig heeft.

Behalve lebklieren heeft men in het slijmvlies, vooral in de nabijheid van den portier, ook slijmklieren. Deze zijn met trilhaarcellen bekleed en naar onderen vertakt.

Onder de klierlaag volgt in het slijmvlies eene laag gladde spiervezels (m, fig. 2), welke zich gedeeltelijk ook tusschen de klieren uitstrekt, en daaronder ligt eindelijk het reeds vermelde losse weefsel, tot bevestiging van het slijmvlies dienende (b, fig. 2). Daarin liggen voorts de grootere slagaderen, waaruit het fijne vaatnet zich verheft, hetwelk in het slijmvlies loodregt oprijst en ook in de spierlaag opklimt, alsmede de grootere aderen, die het terugkeerend bloed opnemen (b, fig. 2, waar men twee dier vaten in doorsnede aanschouwt), en eindelijk de grootere watervaten en zenuwstammen, welke zich in het slijmvlies en de spierlaag vertakken.

De physiologische verrigting van de maag bestaat in het opnemen der spijzen, door den slokdarm aangevoerd, het veranderen der spijzen in spijsbrij (chymus) en het wegduwen van deze door den portier naar den twaalfvingerigen darm. Door de reeds vermelde peristaltische of wormsgewijze beweging worden de spijzen met het slijmvlies van de maag in aanraking gebragt en met het zure maagsap, door de maagklieren afgescheiden, vermengd en geheel of gedeeltelijk opgelost. De tijd, vereischt tot het omzetten van spijzen in spijsbrij , is van den aard en de vermenging der spijzen en van het spijsverterend vermogen van den mensch afhankelijk.

De maag is alzoo een belangrijk ingewand, met welks gezonden toestand de voeding van het geheele ligchaam in het naauwste verband staat. Toch is het onderworpen aan velerlei ongesteldheden. Hiertoe behoort in de eerste plaats eene gebrekkige spijsvertering (dyspepsie). Met dien algemeenen naam bestempelt men alle ziekelijke toestanden, die het verwerken der in de maag opgenomene spijzen belemmeren. Zulke toestanden kunnen zoowel aanwezig zijn in de werktuigen der spijsvertering als voortvloeijen uit andere deelen en stelsels. Tot de oorzaken van dyspepsie behooren alzoo veranderingen in den bouw en in de gesteldheid der spijsverteringsorganen, der sappen (maag- en darmsap) en der zenuwen, alsmede de prikkel van ongepaste spijzen, en die oorzaken kunnen afzonderlijk of vereenigd werken.

Eene gebrekkige spijsvertering wordt derhalve dikwijls waargenomen, waar zich de organen der spijsvertering in een gewenschten toestand bevinden. Tot de ziekten der maag zelve behooren maagkanker, maagverzwering, katarrh der maag, vergroeijing, vernaauwing van den portier enz., en zij worden door eene min of meer gebrekkige spijsvertering achtervolgd. Ook ziekelijke veranderingen van onderscheidene vochten, van speeksel, maag- en darmsap, gal enz. doen dyspepsie ontstaan. Het zenuwgestel heeft desgelijks een belangrijken invloed op de werking der maag, zooals dikwijls blijkt na hevige gemoedsaandoeningen. Daaraan is voorzeker ook de gebrekkige spijsvertering toe te schrijven bij hevige koortsen, bij scheele hoofdpijn enz. Eindelijk leert de ervaring, dat veler maag bepaalde spijzen, vooral vetten, niet verdragen kan, terwijl het overladen der maag braking doet ontstaan.

De verschijnselen van dyspepsie zijn zeer verschillend. Bij die ongesteldheid is de maag dikwijls opgezet en gevoelig. Men ontwaart walging en neiging tot braken en men loost bij braking een waterachtig vocht of kwalijkriekende overblijfselen van genuttigde spijs,— voorts heeft men eene overvloedige afscheiding van speeksel, eene beslagen tong, gebrek aan eetlust, veelal dorst en ook wel buikloop. De lijder gevoelt zich tevens mat en beklemd; hij lijdt aan eene belemmerde ademhaling, aan hartklopping en slapeloosheid; zijne handen en voeten zijn koud, zijne huid is droog, en zijne donker gekleurde urine heeft bij afkoeling een aanmerkelijk bezinksel. Ook heeft hij blaauwe kringen om de oogen en uitslag aan de lippen. Het voornaamste geneesmiddel tegen dyspepsie is een gestreng dieet.

De lijder moet niet meer gebruiken dan noodig is voor zijne voeding, en dat noodige, uit ligt verteerbare spijzen bestaande, moet hij nuttigen bij kleine hoeveelheden te gelijk. Zure, met specerijen toebereide schotels dient hij te vermijden en zich van alle geestrijke dranken te onthouden. Hij bepale zich bij vloeibare kost, zooals soep van vleeschnat, bij raauwe eijeren, slijmerige afkooksels van gerst en rijst, jong, malsch vleesch, oesters enz., en drinke warm water, seltserwater, ligt bier en goeden rooden wijn. Daarenboven drage hij een maagverwarmenden gordel of eene pleister op de maagstreek, terwijl eene warme pap op den maagkuil ook wel goede diensten bewijst. Ook.warme baden, wandelingen, rijtoeren, vooral te paard, het gebruik van minerale wateren enz. zijn doorgaans zeer aan te bevelen.

Niet zelden vertoont zich gebrek aan eetlust. Dit ontstaat alligt door het ophouden van ligchaamsbewegingen, waaraan men langen tijd gewoon is, — voorts door het inkrimpen der hoeveelheid spijs, die men te voren nuttigde, door aanhoudende inspanning des geestes, door een warm klimaat, door ouderdom, door den invloed der zenuwen bij afkeer, gemoedsaandoening, hypochondrie, hysterie, zielsziekte en het gebruik van bedwelmende zelfstandigheden, — en eindelijk door ziekten van de maag en van het darmkanaal, welke den geregelden stoelgang belemmeren. Dit gebrek aan eetlust moet bestreden worden met middelen, die geschikt zijn om de oorzaak der ongesteldheid weg te nemen. Daarentegen heeft men ook eene ziekelijke vermeerdering van den eetlust (polyphagia, fames canina), welke ontstaat door de slechte gewoonte om meer voedsel te gebruiken dan noodig is, door verwijding der maag, door ziekten, die eene krachtige voeding eischen, door ziekten van het zenuwgestel ,enz.

Tot de ongesteldheden der maag behoort verder de maagkramp of maagpijn (gastralgie of cardialgie). Men vindt haar meestal hij vrouwen. Zij kan ontstaan door slecht verteerbare spijzen, door al te zuur maagsap, door het verzwelgen van veel speeksel, door prikkelende zelfstandigheden in de maag, door verzweringen in dat ingewand, door maagkanker en door ziekelijke aandoening van nabijgelegene deelen. Tot de voorboden behooren overvloedige afscheiding van speeksel en hoofdpijn. De voornaamste zetel dier ongesteldheid is steeds de maagkuil en vooral de plek onder het uiteinde van het borstbeen, vanwaar zij zich in verschillende rigtingen verspreidt, zelfs over den rug en den onderbuik.

Voorts vertoonen zich dikwijls hik, zucht om te geeuwen, hartklopping en scheele hoofdpijn, — ja, zelfs krampen, die wel eens lang kunnen aanhouden. Komt de ziekte uit de zenuwen voort, dan is de stoornis der voeding gewoonlijk van korten duur, terwijl het tegenovergestelde plaats heeft bij zweren in de maag, bij maagkanker enz. Men kan maagkramp ligt verwarren met rheumatieke pijnen in de buikspieren, met ontstekingen van het hartzakje en van het borstvlies, met koliek, leverziekten, ongesteldheid der nieren enz. Maagpijn moet behandeld worden met het oog op hare oorzaken. In het algemeen kan men daarbij aanbevelen: rust, verwarming van de maagstreek met warme doeken en warme pappen, vooral mosterdpap, warme voetbaden en eene zachte wrijving der maagstreek.

Maag- en darmbloeding ontstaan door het scheuren van vaten in het slijmvlies van de maag of van de darmen. Het is moeijelijk te zeggen, of het bloed, hetwelk men bij stoelgang ontlast, uit de maag of uit de darmen komt. Zelfs bij braking kan het bloed uit de bovenste darmen afkomstig wezen. De oorzaak van zulke bloedingen is gelegen in eene ophooping van bloed (hyperaemie) in het slijmvlies of in eene verandering in de wanden der vaten, zoodat deze ligt scheuren. Vaak werken beide oorzaken tegelijk. Intusschen bekleedt onder de oorzaken van maagbloedingen verzwering in de maag eene eerste plaats, terwijl darmbloedingen veelal bij buikloop en typhus worden waargenomen. Tot de verschijnselen behooren een gevoel van plotselijke warmte, drukking, volheid en pijn. Bij bloedbraking voelt men eene warme zelfstandigheid in den slokdarm opstijgen, terwijl men een bloedsmaak ontwaart en neiging om te braken, — bij darmbloeding ontstaat doorgaans gerommel in de ingewanden, vergezeld van pijn.

Voorts openbaren zich flaauwte, bleekheid, koud zweet, oorsuizing enz. Bij bloedbraking wordt niet zelden een gedeelte van het bloed door den neus ontlast, en dikwijls komt eenig bloed in de luchtpijp, hetwelk een hevigen hoest veroorzaakt en tevens het vermoeden wekt, dat de bloeding uit de longen komt. Vervolgens ontwaart men, dat ook de ontlasting met bloed vermengd is. Bij darmbloedingen wordt het bloed gewoonlijk bij krampachtige pijn door stoelgang ontlast. Zulke bloedingen kunnen gering of hevig zijn, slechts eenmaal voorkomen of ook gedurig terugkeeren. Intusschen gebeurt het ook wel, dat het bloed van neusbloedingen gedurende den slaap de maag bereikt, zoodat men bij braking meent, dat men met eene maagbloeding te doen heeft.

Bij de behandeling van maag- en darmbloedingen is het van belang in de eerste plaats de bloeding te stillen en in de tweede plaats eene nieuwe bloeding te voorkomen. Daartoe dient eene volkomene rust des ligchaams, — voorts onthouding van alle spijs en het gebruik van kleine hoeveelheden kouden drank, zooals ijswater, citroenlimonade enz. De geneesheer schrijft voorts bloedstillende middelen voor, zooals aluin, azijnzuur-lood, tannine, ratanhia enz. Naauwe kleederen moeten losgemaakt worden, en de kamer van den lijder dient koel te wezen. Voorts is hier een gestreng dieet van het hoogste belang.

Bij acute maagontsteking heeft men dezelfde verschijnselen als bij de ontsteking van andere slijmvliezen, terwijl zij vergezeld gaat van dyspepsie. Tot de verschijnselen behooren vooral pijn en een gevoel van volheid in de maagstreek, gebrek aan eetlust, neiging tot braken, het overgeven van galachtige, slijmerige of bloedige massa’s, dorst, verstopping of buikloop, urine met bezinking, koorts, hoofdpijn enz. Deze ongesteldheid duurt gewoonlijk 1 of 2 weken, maar kan door verwaarlozing ligt chronisch, ja, bij kinderen en ouden van dagen wel eens doodelijk worden. Tot de oorzaken behooren: snelle wisseling van temperatuur, veel en koud drinken bij groote warmte, overlading van de maag, het nuttigen van prikkelende, scherpe of zware spijzen enz., terwijl keelontsteking en ook ontsteking van de dunne darmen zich wel eens tot het slijmvlies van de maag uitstrekken. Maagontsteking treedt voorts secundair op bij alle organische ongesteldheden van de maag, alsmede bij koortsen. Eene hevige ontsteking van de maag kan men soms aanvankelijk niet onderscheiden van typhus. Bij acute maagontsteking legge men warme pappen in den maagkuil, drinke kleine hoeveelheden warm water, onthoude zich van spijs, neme een warm bad en zorge voor voldoende ontlasting.

Chronische maagontsteking komt veel vaker voor. Zij ontstaat door een overtollig gebruik van spijs en drank of van geneesmiddelen. Voorts vergezelt zij onderscheidene ziekten van de lever, van het hart, van de longen en vooral die, welke ophooping van bloed in den onderbuik veroorzaken. Ook vindt men ze bij bleekzucht en hypochondrie, bij eene zittende levenswijs, alsmede bij andere ziekten van de maag. Hare verschijnselen komen overeen met die van acute maagontsteking, maar zijn minder hevig, schoon langer van duur.

De pijn is meestal gering of ontbreekt geheel en al, en de eetlust blijft, al is deze vaak zonderling in zijne keus. De spijsvertering werkt echter traag, en de lijder is doorgaans zwaarmoedig; hij heeft last van hoofdpijn, neiging tot braken, eene sterke speekselafscheiding en een zuren smaak in den mond, alsmede van verstopping, terwijl zijn gelaat eene grijsachtig-gele kleur heeft. Deze ziekte heeft een langzaam verloop en keert ligt terug, doch dreigt dan alleen met den dood, wanneer zij door maagkanker of andere gevaarlijke ongesteldheden veroorzaakt wordt. Bij de behandeling is eene doelmatige regeling van het dieet de hoofdzaak.

De gevaarlijkste maagontstekingen zijn intusschen die, welke door scherpe vergiften worden veroorzaakt, bijv. door zwavel-, salpeter- en zoutzuur, koningswater, bijtende kali, natron enz., die plaatselijke beleedigingen der maag veroorzaken, — alsmede door zoodanige, die daarenboven het geheele gestel aantasten, zooals lood-, zilver-, zink-, koperen kwikzilververbindingen en scherpe plantaardige en dierlijke stoffen, zooals de herfsttijdeloos, het nieskruid, de scheerling, Spaansche vliegen enz.

Zweren in de maag vindt men meer bij vrouwen dan bij mannen, meestal nabij den portier. Gewoonlijk is er slechts ééne zweer aanwezig. Dikwijls is deze ongesteldheid verbonden met bleekzucht en knobbellongtering. Zulk eene zweer kan den maagwand doorboren, zoodat de inhoud van de maag zich uitstort in de buikholte, waardoor dan eene doodelijke ontsteking van het buikvlies ontstaat. Het is moeijelijk deze ziekte te onderkennen. Tot hare verschijnselen behooren: gevoeligheid in de maagstreek, pijn in den maagkuil, welke zich tot den rug en den onderbuik uitstrekt en door drukking op de plek, waar zich de maagzweer bevindt, aanmerkelijk verhoogd wordt. Dikwijls gaat zij vergezeld van braking, en wordt daarbij bloed ontlast, dan is de aanwezigheid van eene zweer hoogst waarschijnlijk, maar nog niet zeker. Het verloop dezer ziekte is langzaam, maar meestal gunstig, en zij wordt op dergelijke wijze behandeld als maagkramp en maagbloeding.

De gevaarlijkste is de maagkanker. Deze kan 1 of 2 jaren duren, maar is voor geene genezing vatbaar. De verschijnselen van deze ziekte komen overeen met die der maagontsteking, maar gaan gepaard met een sterk verval van krachten. Zij wordt op dergelijke wijze als eene maagontsteking behandeld.

Van de overige maagziekten noemen wij nog: Vernaauwing van het ondereinde van den slokdarm, welke ontstaat door scherpe vergiften en zich openbaart door braking kort na het nuttigen van spijs, zoodat de Iijder den hongerdood moet sterven, — vernaauwing van den portier, desgelijks door vergif, maar ook wel door kanker, verzwering enz. ontstaan, waarbij de maag zich uitzet, veel zuur afscheidt en de gebruikte voedingsmiddelen na verloop van 1 tot 3 uren door braking ontlast, — uitzetting der maag ten gevolge van laatstvermelde vernaauwing of ook ten gevolge van het nuttigen van groote hoeveelheden doorgaans weinig voedzame spijzen en zich openbarend door uitzetting van het ligchaam in de maagstreek, door overmatigen eetlust, door braking en door verval van krachten, — en eindelijk inkrimping van de maag, als gevolg van bovenvermelde vernaauwing van den slokdarm, van verzwering, van kanker, alsmede van de gewoonte om zich met ontoereikende hoeveelheden spijs te vergenoegen, en zich openbarend in verzwakking van den eetlust, in de onmogelijkheid om eene voldoende massa voedsel te nuttigen, in gedurige braking en in eene gebrekkige voeding van het geheele ligchaam.

Verbazend groot is het aantal maagversterkende middelen. Men bedoelt daarmede zoodanige, die den eetlust opwekken en de spijsvertering bevorderen. Daartoe rekent men allerlei sterke dranken, vooral bitter, benevens een aantal specerijen, zooals peper, mostaard, gember enz. Wie echter meent, dat hij daardoor den toestand van eene gezonde maag verbetert, verkeert in eene dwaling. Men prikkelt daardoor het slijmvlies van de maag op eene schadelijke wijze, en men zoekt dan dien prikkel weg te nemen door het nuttigen van spijs. Met betrekking tot den eetlust geldt nog altijd de oude spreuk: „Honger is de beste kok”.

Men bevordert een gezonden eetlust door flinke ligchaamsbeweging, door regelmaat in het houden van maaltijden en door het matig gebruik van goed voedsel. Is de maag ziek, dan verergert men door prikkelende middelen hare ongesteldheid. Alzoo wie meent zijn gezondheid te behouden door zoogenaamde maagversterkende middelen, misleidt zich zelven, en wie ze daardoor wil herstellen, verwijdert zich van zijn doel.

Laatst bijgewerkt 09-08-2018