Haar betekenis & definitie

Haar (Het) is eene bedekking van vele dieren, en ook de mensch draagt deze in meerdere of mindere mate over het grootste gedeelte des ligchaams. De haren zijn meestal in schuinsche rigting, één aan één of twee aan twee, ingeplant in de huid, waarbij op de verschillende deelen des ligchaams eene zekere regelmatigheid is waar te nemen, zoodat de haren als het ware stroomen vormen, welke zich hier en daar vereenigen. Zij onderscheiden zich voorts door eene aanmerkelijke veerkracht. Wanneer zij uitgerekt worden, zoodat hunne lengte met 1/s vermeerderd is, krimpen zij na loslating in, zoodat de verkregene verlenging daarna slechts 1/17 van de oorspronkelijke bedraagt.

Men kan een haar uitrekken, zoodat het 1/3 langer wordt, zonder het te breken. Men kan aan een haar een betrekkelijk groot gewigt ophangen, — het is tevens zeer hygroscopisch of vatbaar voor het opnemen van water. Daar hierbij zijne lengte verandert, heeft men het gebezigd, om als hygroscoop den vochtigheidstoestand der lucht aan te wijzen. Geen deel van ’s menschen ligchaam biedt zoolang weêrstand aan de verrotting; zelfs bij mummiën, die duizende jaren oud zijn, vindt men het haar nog ongedeerd. Het belangrijkst bestanddeel van het haar is zwavelhoudende eiwitstof, welke door metaaloxyde gekleurd wordt, omdat de zwavel zich met het metaal verbindt.

Zilver- en mangaanzouten, bijvoorbeeld, maken het haar zwart. Andere bestanddeelen van het haar zijn een min of meer gekleurd vet en een pigment of kleurstof. In de asch van het haar vindt men kiezelaarde, ijzer- en mangaanoxyde; de laatste 2 hebben grooten invloed op de kleur van het haar. Donker haar bevat veel ijzer.

Bij het haar onderscheidt men den boven de huid uitstekenden haarcylinder (S, fig. 1, 50-maal vergroot) en den in de huid gelegen en door den haarzak (B) omsloten haarwortel (W). De cylinder loopt uit in eene punt, allengs dunner wordende; hij is bij sluike haren regt en rolrond, — bij golvende lokken golfvormig gebogen en op de doorsnede ovaal, en bij kroes haar spiraalsgewijs gewonden. De wortel is weeker en dikker dan de cylinder en eindigt van onderen in een knodsvormig deel, de haarknop of haarbol genaamd (Z), waarin een eivormig deel zich verheft (P), hetwelk men met den naam van haarkiem bestempelt.

Bij de naauwkeurige beschouwing van een haar ontdekt men 3 verschillende deelen, zooals blijkt uit fig. 2, welke een stukje voorstelt van een wit haar, 250-maal vergroot. Men ontwaart er in de eerste plaats eene opperhuid o, eene laag, welke uit platte, schubvormige, als dakpannen op elkaar gelegde cellen bestaat, — daarna de schors of haarscheede r, eene vaak donker gestippelde, gevlekte of gestreepte doorschijnende massa, die bij behandeling met zuren en alkaliën in platte, lange broze vezels oplost en zich in plaatjes of vezelcellen verdeelt van zoodanigen vorm als in fig. 3 is aangewezen, en eindelijk het merg m (fig. 2), hetwelk zich vertoont als eene streng, die boven den haarbol een aanvang neemt en zich bijkans tot aan de punt uitstrekt. Het bestaat uit hoekig-ronde cellen, welke eene kern en vele kleine luchtblaasjes bevatten. Bij donkere haren bevat het merg ook kleurstof. De kleur van het haar is intusschen afkomstig van het korrelig pigment, in de plaatjes der schorslaag aanwezig, van eene in deze plaatjes voorhandene, gelijkmatig verspreide kleurstof en van de luchtblaasjes in het merg, welke oorzaak zijn van eene witte kleur.

De haarzak is een fleschvormig, den haarwortel eng omsluitend zakje, dat bij groote haren diep in de huid, zelfs wel in het celweefsel onder de huid ingeplant, maar bij fijn wolhaar in de bovenlaag der lederhuid besloten is. Men kan de haarzakjes beschouwen als insluipingen der huid, want wij ontdekken daarbij 2 lagen, van welke de buitenste (a, fig. 1) met de Iederhuid en de binnenste met de slijmlaag (s) der opperhuid overeenstemt en met den naam van wortelscheede (i) bestempeld wordt, om deze van de buitenste laag (a) of den haarzak in meer beperkten zin te onderscheiden. Deze laatste bestaat uit bindweefsel met vele langwerpige cellen en bevat in zijne buitenste, meer vaste laag talrijke haarvaten en enkele zenuwvezels. Op den bodem van den zak verheft zich de reeds vermelde haarkiem. Deze bestaat uit een niet zeer duidelijk vezelig bindweefsel met afzonderlijke kernen en vaten, doch zonder zenuwen. Genoemde wortelscheede, tussehen den haarzak en den haarwortel gelegen, is zamengesteld uit 2 lagen cellen; de binnenste (ï) behoort tot den haarwortel W, een omkleedsel van dezen vormende, en de buitenste (i), den binnenwand van den haarzak bekleedend, is eene voortzetting van de slijmlaag (s) der opperhuid, en hare cellen veranderen bij de haarkiem gestadig in de ronde cellen van den haarknol (Z), welke de haarkiem omgeven. In den haarwortel worden de ronde cellen allengs platter, naarmate zij meer naderen tot de oppervlakte der huid.

De eerste ontwikkeling der haren geschiedt op deze wijze: De slijmlaag der opperhuid vormt fleschvormige instulpingen in de huid, waarna hare cellen in de beschrevene bestanddeelen van fijne haren veranderen en verharden, terwijl de buitenste week blijven, zoodat de wortelscheede met de weeke onderste gedeelten den haarwortel vormt. Op deze wijze ontstaan de haren en de wortelscheeden tegeIijk, en nabij deze laatsten uit de vormingscellen der Iederhuid de buitenste haarzak, terwijl zich de haarkiem als een uitwas van de wortelscheede vertoont. In fig. 4 aanschouwen wij de ontwikkeling van een wenkbraauwhaar in 3 tijdperken: o is de hoomlaag der opperhuid en s hare slijmlaag, i de inwendige wortelscheede, h de haarcylinder, h' de haarpunt, w de haarwortel en p de haarkiem. Het haar groeit door eene aanhoudende vorming van nieuwe, ronde cellen in den omtrek der haarkiem, welke de oudere cellen gestadig opstuwen en door vervorming in schorsplaatjes, mergcellen en opperhuidschubjes veranderen. Bij het uitvallen van het haar, vooral bij pasgeboren kinderen, ontstaan uit de uitwassen van de ronde cellen der haarwortels en haarscheeden uitsteeksels van deze laatsten, welke in haren veranderen, terwijl het oude haar, aan den wortel in hoorn herschapen, langzamerhand uit den haarzak wordt gedrongen, zooals in fig. 5 is aangewezen. Hier is het haar reeds uit den haarzak getrokken; s' is de cylinder van het nieuwe haar, — w de oude, w' de nieuwe haarknol, a de buitenste wortellaag van het oude, a' die van het nieuwe haar, i de binnenste wortellaag van het nieuwe haar, en c de groef voor de haarkiem.

Nabij den mond van den haarzak, heeft men dien van eenige smeerklieren, enkelvoudige of vertakte buizen, welke den haarzak van vettigheid voorzien en het haar en de opperhuid met olie bevochtigen. Eindelijk vermelden wij nog eenige gladde spiervezels, die met de knodsvormige uiteinden der haren in verband staan en door het verplaatsen van deze aan de haren, met betrekking tot de opperhuid een loodregten stand kunnen geven.

Die spieren zijn echter bij den mensch niet aan den wil onderworpen , maar worden alleen door prikkels van buiten of door hevige gemoedsaandoeningen in beweging gebragt. Het huiveren en het ten berge rijzen der haren zijn de gevolgen van de onwillekeurige werking dier spiervezels. In fig. 6 ziet men de doorsnede der huid van het hoofd. Men ontdekt er in c de opperhuid, in i de lederhuid, in f kleine vetdeeltjes in de onderste lagen van deze, in h de haarcylinder, in b den haarzak, in z den haarknol, in l de smeerklieren, en in m de haarzakspieren.

Ofschoon men in de haren geene zenuwen en geen bloed aantreft, zijn zij afhankelijk van de verrigtingen des ligchaams, daar zij voor hun onderhoud en hun groei eene vloeistof noodig hebben, die door de bloedvaten van den haarzak afgescheiden wordt en inzonderheid in de schorslaag opstijgt, om, voor zoover zij vlugtig is, aan de oppervlakte van den haarcylinder weder te verdampen. Dien ten gevolge staat de toestand der haren in het naauwste verband met dien van de huid. Zijn de haren zacht en glanzig, dan is ook de huid frisch en werkzaam, — zijn zij dor en broos, dan is de huid desgelijks slap en droog. Wordt de voeding van het haar geruimen tijd belemmerd, zoodat de ontwikkeling der cellen in den omtrek der haarkiem eene ziekelijke verandering ondergaat, dan zal de haarcylinder alligt van de haarkiem afbreken en uitvallen, zooals dikwijls na typheuse koortsen het geval is, alsmede bij sommige haar- en huidziekten. Door eene gebrekkige voeding ontstaat voorts het grijsworden der haren.

Hierbij verliest vooral de schorslaag hare kleurstof. Aanhoudende inspanning der hersenen, zorg, verdriet en schrik kunnen er aanleiding toe geven. Intusschen is de oorzaak van het grijsworden in één of weinige dagen of van het gedeeltelijk grijsworden der afzonderlijke haren, bijvoorbeeld aan de punt of in het midden, nog altijd eene verborgenheid. Zulke verschijnselen zijn in elk geval een krachtig bewijs voor het verband tusschen de gesteldheid van het haar en die van het geheele ligchaam.

Het hoofdhaar van den mensch kan eene aanmerkelijke lengte bereiken. Deze is afhankelijk van den groei, en de groei van het voorhandene voedsel. Het haar groeit zoolang er meer voedsel aanwezig is, dan zijn onderhoud vereischt. Is het haar zoo lang geworden, dat al het voedsel voor zijn onderhoud noodig is, dan houdt het op te groeijen. Immers dan is er geene grondstof meer tot het vormen van nieuwe haarzelfstandigheid. Daar de groei in den wortel plaats heeft, is het wijders duidelijk, dat de eens afgesnedene haarpunt nimmer door eene andere vervangen wordt. Ook blijkt nog duidelijk uit de wijze, waarop het haar ontstaat, dat men op kale plekken, waar zich geene haarzakken in de huid bevinden, evenmin door hooggeroemde haarmiddelen haar kan doen ontstaan als tanden door een tandtinctuur. Het eenige middel, om die kaalheid weg te nemen, is de transplantatie der haren met hunne haarzakken, — doch deze kunstbewerking is nog al lastig en omslagtig.

Omtrent de verzorging van het haar merken wij in het algemeen op, dat die zorg zich dient te bepalen tot de huid, waarop het haar groeit. Het is van belang, deze zuiver te houden. Hiertoe bediene men zich van water met wat rum of van warm water, waarin een paar eijerdojers geklopt zijn of van zeer zacht zeepwater, om die huid te reinigen. Men drooge ze vervolgens af met een wollen doek en wrijve ze daarna in met eene vette olie — bijvoorbeeld olijvenolie — of met eene eenvoudige pommade van rundermerg. Het gedurig natmaken van het haar met water is niet aan te raden, omdat het hierdoor van zijn vet beroofd, dor en vaal wordt.

Men moet het hoofd niet te veel en niet te weinig dekken. Ook zorge men, dat aan het haar niet te veel getrokken worde, dewijl hierdoor alligt stoornis ontstaat in zijne voeding en ontwikkeling. Men meent, dat het goed is, het haar om de 4 weken te laten knippen; doch niet te kort, dewijl hierdoor het haarplantsoen te veel lijdt. Het verwen van het haar kan, als eene — behalve voor tooneelspelers — onnoodige zaak, niet worden aanbevolen, daar de kleurstoffen alligt schadelijke bestanddeelen bevatten.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018