Ancona betekenis & definitie

Ancona was vroeger als mark een zelfstandig deel van Midden-Italië, tusschen de Adriatische zee en de Apennijnen gelegen en zich uitstrekkend van Tronto tot San Marino met eene oppervlakte van 172 □ geogr. mijlen en 3/4 millioen inwoners. Later behoorde die mark aan den Kerkelijken Staat en was verdeeld in de delegatiën Ancona, Fermo, Ascoli en Camerino, en thans (sedert 1860) is zij eene Italiaansche provincie met eene uitgebreidheid van bijna 25 □ geogr. mijlen en 255 000 inwoners.

Hare hoofdstad Ancona ligt 30 geogr. mijlen ten noordoosten van Rome op eene landtong tusschen de voorgebergten Monte San Civiaco en Monte Guasco. Zij is amphitheatersgewijs gebouwd en heeft, behalve eene sterke citadel, de beste haven aan de Adriatische zee. Er zijn ruim 40 000 inwoners, waaronder zich 5000 Israëlieten bevinden. De prachtige molo of havendam, door Trajanus gebouwd en door paus Benedictus XIV hersteld, is 650 Ned. el lang. Handel en scheepvaart verkeeren er in eene bloeijenden toestand, vooral nadat de haven, die onder het Pauselijk bestuur door aanslibbing allengs onbruikbaar werd, door het Italiaansch gouvernement aanmerkelijk verbeterd is. Belangrijk zijn er een triomfboog van keizer Trajanus en een boog van wit marmer ter eere van Benedictus XIV, beide op den molo, — voorts de hoofdkerk (met prachtige schilderijen van Lippi, Guercino enz.), gewijd aan San Ciriaco en gesticht op de plek, waar zich weleer de tempel van Venus verhief, de beurs met frescos van Tibaldi, de kerk der Dominicanen, desgelijks met fraaije schilderijen van Titiaan, Guercino enz., en het quarantaine-gebouw.

Men heeft er zijdeweverijen, touwslagerijen, tabaks-, leder-, zeep-, papier-, loodwit- en suikerfabrieken, bleekerijen en hoedenmakerijen. Tot de invoer-artikelen behooren er koren uit Rusland (uit de havens der Zwarte zee), tabak en koren uit Hongarije, en koloniale waren uit Triëst en uit Engeland. Uitvoer-artikelen zijn er, behalve de voortbrengselen der stads-nijverheid, maïs, peulvruchten, zijde, amandels, honig, was en wol; zij gaan meest naar Engeland, hoewel er tevens een levendige handel wordt gedreven met Venetië, Livorno en Marseille.

Ancona is in 392 vóór Chr. gesticht door vlugtelingen uit Syracusa, die de dwingelandij van Dionysius moede waren. Later, onder de heerschappij der Romeinen, bragt de purperverwerij er eene groote mate van welvaart. In den tijd der groote volksverhuizingen kwam zij eerst in het bezit der Gothen en vervolgens in dat der Longobarden. Daarna werd zij de hoofdstad eener zelfstandige republiek, maar verloor in 1532 hare vrijheid door de list van den generaal Gonzaga, die haar op last van Clemens VII bezette onder voorwendsel om haar tegen de Turken te verdedigen, maar ze door het bouwen der citadel wist toe te voegen aan den Kerkelijken Staat. In 1766 werd zij door de Franschen ingenomen en in 1799 door de Oostenrijkers en Russen veroverd. Napoleon I bezette haar in 1805. In 1815 werd zij aan den Paus teruggegeven, maar in 1832 weder door Frankrijk van garnizoen voorzien, om den invloed van Oostenrijk in den Kerkelijken Staat te keer te gaan. De Franschen bleven er tot in 1838. In 1849 moest de revolutionaire bezetting te Ancona voor de Oostenrijksche belegeraars zwichten, en den 29sten September 1860 viel zij in handen der Piémontézen, waarna zij steeds tot het koningrijk Italië heeft behoord. Zij is door spoorwegen met de voornaamste Italiaansche steden verbonden, en de verbeterde haven belooft haar, in verband met de doorgraving der landengte van Suëz, eene bloeijende toekomst.

Laatst bijgewerkt 14-11-2017