Apennijnen betekenis & definitie

Apennijnen (Mons Apenninus, Apennina Juga) is de naam van de bergketen, die zich ter lengte van 160 en ter breedte van 4 tot 18 geogr. mijlen van de omstreken van Genua tot die van Reggio over geheel Italië uitstrekt. Aanvankelijk loopt zij oostzuidoostwaarts en erlangt bij de bronnen van de Tiber en Arno eene zuidoostelijke rigting, terwijl vervolgens bij Cartaro, de Noord-Calabrische Apennijnen zuidwaarts en de Zuid-Calabrische van de Golf van Eufemia af zuidwestwaarts loopen.

De geheele keten heeft dus de gedaante van een boog, wiens holle zijde naar het westen is gekeerd. In het noorden en zuiden kunnen hare toppen de hoogte van 2000 Ned. el slechts even halen, terwijl in het middengedeelte onderscheidene kruinen zich veel hooger verheffen — die van den Gran Sasso d’Italia zelfs tot 3000 Ned. el. Uit een geologisch oogpunt zijn echter de Apennijnen binnen enger grenzen besloten. De aanwezigheid van centraalgevaarten van graniet en kristallijne schiefersoorten is een kenmerk der Alpen. Tot deze behoort alzoo het Ligurisch gebergte ten westen van Genua, terwijl de gebergten ten zuiden van Cartaro een zelfstandig stelsel vormen, waarin bovengemelde rotssoorten niet ontbreken. In de eigenlijke Apennijnen ontbreken de oudere kristalvormige centraalmassa’s geheel en al. Zij bestaan uit kalksteen, dolomiet, mergel en zandsteen, meestal uit het secundaire en tertiaire tijdperk (zie aardkorst), waaruit alleen in het noorden serpentijn-, euphotide-, en diorietmassa’s verrijzen, terwijl men in het westen, binnen den Apennijnenboog, palaeozoïsche en plutonische vormingen aantreft. De heuvelen van Toscane bevatten uitgebreide beddingen, van macigno en albarese, dat wil zeggen, van een inwendig blaauwachtig grijzen en van buiten bruinen zandsteen met glimmerblaadjes en lichtof donkerkleurige, vaak wierbevattende mergelkalksoorten, die men voorheen beschouwde als tot dezelfde formatie behoorende, zoodat men ze nu eens tot de krijt- dan weder tot de eocenevorming rekende. Het is gebleken, dat men op haar gebied serpentijn, ophiet, gabbro (granitone), porphier en dioriet aantreft, die er doorheen gedrongen zijn. Hiertoe behooren ook de bonte leisteen (galestro) en het amandelsteenachtige aphaniet (gabbro rosso). De diorietsoorten leveren in Toscane van Argentaro tot Livorno eene groote hoeveelheid zwavelhoudende koper- en loodertsen. Ook Elba, dat uit granietgevaarten bestaat, bezit een overvloed van metaal, en gaf in den tijd der Romeinen reeds ijzererts.

De watervormingen der Apennijnen behooren met die der Alpen en Karpathen tot een gemeenschappelijk stelsel. De verrucano, die zich bij den Monte Pisani het duidelijkst vertoont en een conglomeraat is, dat in zandsteen overgaat, vormt er den grondslag voor rookwak, dolomiet en kalksteen, en een gedeelte van dezen laatste bezit bij Spezzia en elders versteeningen uit het juratijdperk. Van de Tiberbron tot aan de grenzen van Calabrië hebben kalksteensoorten de overhand. Ook een gedeelte hiervan behoort volgens de versteeningen tot het leias- en juratijdperk, zooals het beroemde marmoro rosso, dat van ammonieten (zie onder dat woord) wemelt, en een ander gedeelte tot het krijt, zooals de biancone en de hippurietenkalk. Langs de Apennijnen en in het geheele gebergte strekt de eocenevorming zich uit, namelijk nummulietenkalk, met een zeer algemeen verspreiden, eocenen fucoïdenzandsteen en mergel. Die beddingen zijn geenszins waterpas gelegen, maar op velerlei wijze opgestuwd en verschoven. De heuvelachtige streken, tusschen de bergketen en de kust aanwezig, bestaan daarentegen uit horizontale tertiaire lagen. Uit zulke lagen bestaat het Apulische schiereiland. Men vindt er bruinkolen in Toscane, klipzout in Piëmont, Modena en Noord-Calabrië. De zooeven genoemde tertiaire heuvelstreek heeft van Brocchi den zeer gepasten naam ontvangen van “Sub-Apennijnsch heuvelland.” Het neemt een aanvang aan de Middellandsche zee op het gebied van Lucca en strekt zich uit tot aan de zuidpunt van Italië. Die vorming bedekt overal den Apennijnenkalk en andere gesteenten.

Italië is daarenboven de klassieke bodem der vulkanische werkzaamheid, die men echter tegenwoordig slechts op enkele punten der westelijke kust en op de eilanden, bepaaldelijk op den Vesuvius, de Phlegraeïsche velden, de eilanden Volcano, Stromboli en Sicilië waarneemt. De oudere vulkanische vormingen vindt men over de geheele westzijde verspreid, van Toscane tot ver in het zuiden, en aan de oostzijde ziet men haar in den Monte Gargano. Men heeft er trachiet, zooals in laatstgenoemden berg en in den Monte Amiata bij Tolfa, basalt, zooals bij Radicafani, of verschillende lava- en tufsoorten met wezenlijke kraters, zooals bij Bolsena, in het Albaansch gebergte, bij Roccamonfina enz., terwijl de 7 heuvelen van Rome uit tuf bestaan, welke uit het water bezonken is. Ook de eilanden der Napelsche kust zijn vulkanisch. De eigenlijke krater bezit echter geen vuurspuwende toppen met uitzondering van den Vultur bij Melfi. Warme bronnen zijn er op vele plaatsen verspreid, en nog gedurig is Calabrië het tooneel van geweldige aardbevingen.

De Apennijnen worden, naar de landen die zij doorsnijden, in Ligurische, Etruscische, Romeinsche en Napelsche Apennijnen, of, volgens hunne geographische ligging, in noordelijke, midden- en zuidelijke Apennijnen verdeeld. De Ligurische Apennijnen loopen van den Bochettapas (800 Ned. el) oostwaarts naar den Monte Cimone. Ten zuiden rijzen zij steil uit de zee omhoog en noordwaarts glooijen zij geleidelijk af naar de Po. Men vindt er de bronnen van de Trebbia, van de Taro, van de Secchia en van de Panaro, die allen naar den regteroever der Po vloeijen. Tot de hoogste toppen behooren er: de Monte Calvo (1650 Ned. el), de Monte Penna (1760 Ned. el), de Monte S. Pelegrino (1600 Ned. el) en de Monte Cimone (2180 Med. el). Van hier strekken de Etruscische Apennijnen zich uit tot aan den Sasso di Cimone. Zij bevatten een groot aantal dalen en de bronnen van de Reno, Savio en Marecchia, die zich naar de moerassen van Comacchio of naar de Adriatische zee spoeden, en bij den Monte Falterone de bron der Arno. De hoogste toppen zijn er de Monte Falterone (1330 Ned. el) en de Monte Armiata (1800 Ned. el). De Romeinsche Apennijnen gaan van hier tot aan den Monte Vetora. Een hunner hoofdtakken loopt over den Monte Radicofani naar Kaap Agentaro. In dit gedeelte der keten ontspringen de Ombrone, de Tiber en de Nera; ook heeft men er bekende bergmeren, zooals het Lago di Bolsena, het Lago Bracciano, en, ten zuidoosten van Rome, het Lago Albano. Men heeft hier den Monte della Sibylla (2300 Ned. el), den Monte Catria (1700 Ned. el), den Monte Pennino (1600 Ned. el), enz. De Napelsche Apennijnen nemen een aanvang bij den Monte Vetora en bevatten behalve den reeds genoemden Gran Sasso d’Italia (3000 Ned. el, — volgens anderen bijna 4000), den Monte Terminello (3400 Ned. el) den Monte Velino (2560 Ned. el), den Monte Amaro (bijna 3000 Ned. el) enz. Afzonderlijk ligt hier naar het oosten de met bosch begroeide Monte Gargano, wiens top, Monte Calvo genaamd, 1660 Ned. el hoog is. Van het Lago Pesole loopen de Calabrische Apennijnen zuidwestwaarts tot aan kaap Spartivento. Aan hun westelijken voet liggen de Pontijnsche moerassen, en men vindt er de bronnen van de Garigliano, Volturno en Selo, terwijl aan de oostzijde de Esino, Tronto, Pescara, Sangra, Fortone en Ofanto ontspringen. De Bradano, Basiènto, Agri enz. vloeijen er langs de zuidelijke helling naar de golf van Tarente. Hier verheft zich de Monte d'Oro benevens de Silaval (2130 Ned. el.), de Monte Alto (1360 Ned. el), de Vesuvius (1250 Ned. el) enz.

Volgens de tweede verdeeling strekken de Noordelijke Apennijnen zich uit tot aan den Monte Falterone, — de Midden-Apennijnen tot aan Calabrië, — en de Zuidelijke Apennijnen tot aan zee.

Het voorkomen der Apennijnen is naar gelang van den aard der gesteenten en van de ligging van deze zeer verschillend. Zij verheffen zich in schilderachtige, vaak terrasgewijs opklimmende vormen, terwijl de boschrijke hellingen hier en daar met naakte, witte rotswanden afwisselen en de uitloopers in de gedaante van voor elkander heen springende tooneelschermen een fraai schouwspel aanbieden. Een en ander steekt doorgaans met scherpe lijnen af tegen den donkerblaauwen hemel, die er zich overheen welft. In het noorden, waar de zandsteen de overhand heeft, vervangen breede, platte bergruggen de steile wanden. Wegens de geringe breedte der keten heeft men er geene uitgestrekte dalen, zooals in de Alpen, maar de zuidelijke plantengroei verhoogt er niet weinig de bekoorlijkheid der kloven, waardoor de beken zich naar beneden spoeden. De hoogste gedeelten der Apennijnen, met dorre weiden en witte rotsen gekroond, bezitten eene indrukwekkende woestheid. Dit mag vooral gezegd worden van den Gran Sasso. Uit eene hoogvlakte, die 1000 Ned. el boven de oppervlakte der zee gelegen is, klimt men opwaarts tot nog hoogere hoogvlakten, waarboven zich eindelijk de berg als een grootsche kegel ter hoogte van een paar duizend Ned. el verheft. In het zuiden vormen de Apennijnen niet zoozeer een gesloten geheel als afzonderlijke rotsgevaarten. Meren zijn er eene zeldzaamheid, behalve de reeds genoemde, die zich op het vulkanisch gebied bevinden.

In het algemeen is het klimaat der Apennijnen ruwer, dan men op die breedte en op grond der ligging van Italië verwachten zou. Terwijl in de luwte der dalen de zomerwarmte bijna onverdragelijk is, zoodat er palmboomen en andere keerkringsgewassen welig groeijen, zoekt men op de bergen ter hoogte van 2000 Ned. el vruchteloos naar ooftboomen of graan. De scherpe winden zijn er zeer schadelijk voor de gewassen. Terwijl de laaggelegene dalen met een prachtigen plantengroei zijn versierd, ziet men de hooger gelegene streken wegens gebrek aan water tot voortdurende dorheid veroordeeld. Daarom is er de bergkam woest en onbewoond, terwijl aan den voet der keten, als op een sierlijken gordel, eene talrijke bevolking woont. Hoewel de hoogste gewesten des winters met sneeuw zijn bedekt, blijft deze er nergens het geheele jaar liggen.

De voortbrengselen der Apennijnen zijn in het algemeen dezelfde als die van Italië (zie onder dat woord). Tot de bergstreek behooren bepaaldelijk de vele koude en warme minerale bronnen, — voorts vele stoffen, die door de vulkanen worden opgeleverd, zooals zwavel (bij den Vesuvius, den Etna en op de Liparische eilanden), aluin (bij Tolfa), soda, borax, puimsteen, gips en marmer — dit laatste in de fijnste soorten met allerlei kleuren en zeer verschillend van hardheid. Van metalen zijn de Apennijnen schaars voorzien. Men vindt er kwikzilver-, zilver- en ijzererts, maar nergens van gewenschte hoedanigheid. Steenkolen zoekt men er te vergeefs; zij worden uit Engeland en Dalmatië aangevoerd. In de bosschen leven er wolven, vossen, lynxen, wilde zwijnen, herten en reeën. De beer woont er nog in schier ontoegankelijke kloven, en op de hoogste toppen bouwt er de adelaar zijn horst. In het noordelijke gedeelte vindt men prachtige kastanjewouden, maar zoodra zich de Apennijnen in hunne eigenaardige gedaante vertoonen, maken zij plaats voor de altoosgroene eiken (quercus ilex), de kurkboomen (quercus suber) en myrten en voor dien langen gordel van olijfboomen, welke zich van Nizza tot aan Reggio uitstrekt. Bij de Midden-Apennijnen opent zich de poort van den toovertuin der Hesperiden. Daar bloeijen in de warme dwarsdalen de myrt en granaat, en de gouden vrucht der citrussoorten schittert er onder den bevalligen sluijer der bloesems en bladeren. De kale rotsen zijn er hier en daar bedekt met eene palmsoort (chamaerops humilis) en met eene houtachtige euphorbia, terwijl op meer vruchtbare plaatsen de aardbezieboom (arbutus unedo), onderscheidene soorten van heidegewassen en van pijnboomen, waaronder de schilderachtige Italiaansche pijnboom, de fraaije acanthus mollis en talrijke vlinderbloemige gewassen zich verheffen. Reeds bij Pisa groeit de dadel. Wijn- en olijfgaarden wisselen elkander af langs de geheele westkust van Italië. De vulkanische bodem is er ongemeen vruchtbaar. In den omtrek van Gaëta begint het plantenrijk op dat van Afrika te gelijken: de cactus bedekt er de heuvels en de aloë spreidt er hare armen uit, terwijl palm- en vijgeboomen er hunne kruinen verheffen. In de Campagna Felice (bij Napels) kan men ’s jaars driemaal oogsten. Aan de oostzijde der Apennijnen heeft men de flora van Dalmatië. Boven het gewest der kastanjeboomen volgt dat der beuken en der Midden- Europésche gewassen. Op het gewest der beuken, die allengs in struiken veranderen, volgt dat der weiden, het vaderland der Alpenplanten. Zoowel gebrek aan water als eene oude gewoonte is oorzaak, dat men alleen schapen en geiten derwaarts brengt. De herders zwerven er met hunne kudden rond van het ééne gewest naar het andere. De beide zijden der bergketen zijn door 13 belangrijke bergpassen verbonden.

Laatst bijgewerkt 11-01-2018