Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Staat

betekenis & definitie

Een Staat is eene op een bepaald gebied georganiseerde vereeniging van regeerders en geregeerden. Deze bepaling van een Staat is zeer eenvoudig; maar zeer uiteenloopend zijn de gevoelens over den aard, het regt en het doel van den Staat. Daarenboven moet men onderscheid maken tusschen het eigenlijke denkbeeld van Staat, hetwelk op een geschiedkundigen grondslag rust, en het denkbeeld van Staat, hetwelk voortvloeit uit de wijsgeerige bespiegeling. Dit laatste toch stelt den Staat voor, zooals hij wezen moet en het eerste zooals hij werkelijk is.

Nu leert de geschiedenis, dat van eigenlijke Staten dan eerst sprake kan wezen, wanneer een aanmerkelijk aantal menschen tot een geheel vereenigd is. Het huisgezin kan derhalve als de natuurlijke grondslag en het uitgangspunt van den Staat beschouwd worden; doch de Staat heeft tegenover het huisgezin dit eigenaardige, dat zijne onderhoorigen niet door den band der bloedverwantschap, maar door eene afzonderlijke organisatie verbonden zijn, en het eigenaardige van deze organisatie is daarin gelegen, dat men hier eene vereeniging aantreft van eene regéring (gouvernement, staatsbestuur) en van geregeerden (onderhoorigen, staatsburgers, onderdanen). Waar zulk eene organisatie en in het algemeen de handhaving der orde ontbreekt, waar dus anarchie (regéringloosheid) heerscht, daar zoekt men den Staat te vergeefs. Eindelijk behoort tot het denkbeeld van een Staat de aanwezigheid van een bepaald grondgebied, waarop dat geheel van menschen zich gevestigd heeft. De toestand van eene zwervende horde is verre verwijderd van dien van een geregelden Staat, zoodat Zöpfl dezen laatste den toestand van een gezeten volk noemt. Omtrent den oorsprong van den Staat heeft men zeer verschillende gevoelens geopenbaard. Sommigen meenen, op het voetspoor van Jean Jacques Rousseau, dat hij bij overeenkomst, door een „contrat social”, is ontstaan, waarbij ieder ingezeten zooveel van zijne individuéle vrijheid prijs gaf als noodig was ter bereiking van het doel van den Staat, namelijk de regtszekerheid. Veel natuurlijker echter is het, aan den Staat eene historische ontwikkeling toe te kennen.

Bij de onbeschaafde stammen werd reeds het gezag van een stamhoofd, van een magtige of een rijke erkend, die, gewoonlijk door de oudsten gesteund, billijke regels vaststelde, waarnaar de leden zich moesten gedragen. Die regels of wetten werden gewijzigd bij de toenemende beschaving, en zoo zijn de hedendaagsche Staten langs historischen weg ontstaan. De regten, welke een staatsbewind of zijn vertegenwoordiger (de Souverein) bezit, vormen den inhoud van het staatsgezag, waarin ook de souvereiniteitsregten begrepen zijn. De uitoefening van dat gezag, alzoo de regéringsvorm, wordt door de grondwet (constitutie) bepaald. Men verdeelt het staatsgezag gewoonlijk in eene wetgevende, regtsprekende en uitvoerende magt, en het eigenaardige der moderne constitutionéle monarchie is daarin gelegen, dat zij, met betrekking tot de wetgevende magt, aandeel geeft in het regéringsbeleid aan de geregeerden, aan het volk, dat zich door gekozen afgevaardigden laat vertegenwoordigen. Het staatsgezag zelf evenwel is en blijft één en ondeelbaar; het duldt geen Staat in den Staat, zoodat zich ook de Kerk aan het staatsgezag onderwerpen moet. Aan den handhaver van het staatsgezag — in de monarchie de Vorst en in de republiek het geheel der ingezetenen — is de staatsburger ondergeschikt. Behalve de meeningen, die wij omtrent den oorsprong van den Staat reeds vermeld hebben, vinden wij bij oude volkeren de theocratische of godsdienstige theorie, volgens welke de Staat als eene goddelijke instelling en het staatsgezag als door God verordend en toegekend wordt beschouwd, eene theorie, welke men in den nieuweren tijd onder den naam van „Koningschap door Gods genade” wederom op den voorgrond heeft zoeken te schuiven.

Zij wordt met kracht verdedigd door de anti-revolutionaire partij. Volgens anderen is het staatsgezag het gevolg van grondbezit, en zij vestigen hierop de verdediging der absolute monarchie, waarbij de beheerscher zich als eigenaar beschouwt van het land en zijne bewoners en met Lodewijk XIV verklaart: „L’état c’est moi! (Ik zelf ben de Staat)”. Kant, Zachariä en Wilhelm von Humboldt verkondigden het gevoelen, dat de Staat ontstaan is door de behoefte aan regt en wet, en deze theorie, thans veelal de „Manchestertheorie” genaamd, verlangt, dat de Staat enkel voor regtsveiligheid zorge en al het andere aan de burgers overlate. Dit gevoelen strekt ook tot grondslag voor een staathuishoudkundig stelsel. Tegenover haar staat de „welvaarttheorie”, die het bevorderen van de algemeene welvaart aanwijst als het doel van den Staat. De voorstanders van deze theorie brengen echter alligt het volk onder de knellende voogdijschap van den policie-staat. Vermoedelijk dient men de voorkeur te geven aan eene theorie, welke den middenweg volgt, — welke regtszekerheid als hoofddoel van den Staat aanmerkt en de staatshulp en staatsinmenging beperkt tot zoodanige aangelegenheden van algemeen belang, waarvoor het particulier initiatief te kort schiet, terwijl zij voorts binnen de grenzen van regt en wet aan de Staatsburgers eene zooveel mogelijk onbelemmerde beweging vergunt. De betrekking tusschen de regéring en de geregeerden wordt aangewezen door het staatsregt, — de doelmatige inrigting van den Staat door de staatswetenschap, — en de onderlinge betrekking der staten door het volkenregt.

Men spreekt ook van burgerlijken staat, om de verschillende bevoegdheden aan te duiden, die de burgers onderling of jegens vreemdelingen bezitten, — en daaronder verstaat men wijders het zamenstel van regten en pligten, voor een persoon voortvloeijend uit acten, die zijne betrekkingen van familie, bloed- en aanverwantschap omvatten. De kennis daarvan komt hoofdzakelijk te pas bij geboorte, huwelijk en overlijden, en de daartoe strekkende registers worden aangehouden door de ambtenaren van den burgerlijken stand. — Eindelijk wijst de personenstaat de hoedanigheid aan, waardoor individuen regten kunnen uitoefenen en pligten hebben te vervullen. Daaruit ontstaan twee soorten van regten, namelijk burgerlijke en burgerschapsregten; de eerste ontleenen hunnen oorsprong aan het Burgerlijk Wetboek, de laatste aan de Grondwet en eenige organieke wetten. De staat van personen kan om verschillende redenen wijzigingen ondergaan, bijv. van verlies van nationaliteit of van een gedeelte of van het geheel der burgerlijke, burgerschaps- of familieregten, bij regterlijk vonnis uitgesproken, bij huwelijk, curatele, faillissement, enz. Geschillen over den staat van personen worden voor de arrondissementsregtbanken gevoerd. Zie ook onder Inventaris.