Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groeten

betekenis & definitie

GROETEN, (groette, heeft gegroet),een heilwensch tot iem. richten; wees gegroet, heil ui;

—meteen gebaar (hoofdknik, het lichten van den hoed enz.) iemand eerbied of de burgerlijke beleefdheid betoonen: den pastoor groeten; bij het voorbijgaan groette hij mij niet; met het vaandel groeten;
— goedendag wenschen hij groette mij vriendelijk;
— vaarwel zeggen ik heb de eer u (of het gezelschap) te groeten, beleefdheidsformule bij het afscheidnemen;
— ik groet je !, ik wil niet verder met u praten;
— groet ze maar, die u te machtig zijn, gezegde bij het kaartspel als men een ingelegde troef niet kan overtroeven;
— (aan het slot van een brief) gegroet van uw zuster A.;
— iem. doen; laten groeten, hem door bemiddeling van derden de groeten laten doen, ten blijk dat men hem of haar in liefde of met belangstelling gedenkt: wees zoo goed uw moeder van mijnentwege te groeten; vader laat u groeten;
— (Zuidn.) iem. groeten met handen en voeten, hem een pak slaag toedienen;
— (dicht.) begroeten, aanschouwen men groette dra den mond der Maas;
— iemand als (of voor) honing groeten, als zoodanig begroeten, erkennen: u groeten we als Monarch des aardrijks; zalig zijn die vrede maken: treft hen ook der menschen spot, voor zijn kinderen groet hen God;
— (w. g.) eene zaak voor zoo of zooveel groeten, in het ruwe op zekere maat, op zekere waarde schatten. GROETING, v. (-en).