Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WETTIG

betekenis & definitie

WETTIG, bn. bw. (-er, -st), WETTIGLIJK, bw. echt; volgens de wet, bij de wet vergund, verklaard enz.: met alle wettige middelen; den wettigen weg bewandelen ; wettig getrouwd, gescheiden zijn; de wettige erfgenamen; de wettige vorst; wettig betaalmiddel; behoorlijk toekomend: een wettig aandeel, erfdeel, zie wettelijk ; bevoegd : een wettig rechter;

— geldig: een wettig huwelijk aangaan ; wettige kinderen, uit een wettig huwelijk geboren. WETTIGHEID, v. geldigheid, echtheid: de wettigheid eener akte betwisten;
— recht: de wettigheid eener handeling.