Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Echt

betekenis & definitie

Het begrip echt heeft 2 verschillende betekenissen:

1. echt - ECHT, m. (deftiger dan) huwelijk in (door) den echt verbonden worden; in den echt treden, huwen.

2. echt - ECHT, bn. en bw. (-er, -st), uit een (wettig) huwelijk gesproten een echt kind;
— wettig zijne echte vrouw;
— in den echten staat verbinden, huwen;
— geloofwaardig de echte handteekening;
— zuiver, niet valsch echt goud, echte paarlen;
— (taalk.) echte f. s, vgl. onecht;
— oprecht: een echte vriend;
— onvermengd, onvervalscht: echte wijn, echt spul;
— onverbasterd, alle vereischte hoedanigheden bezittende hij is van echt bloed, van het echte ras; dat is nog eens echt goedje; een echte vleier, heldenfiguur; een echt paardje;
— deugdelijk een echt bewijs;
— in optima forma een echte fat, schelm, proever;
— neen, die is echt! die grap, die ui, die nabootsing enz. is eenig, niet te verbeteren
— : dat is echt waar, werkelijk waar;
— echt! (kindertaal) heerlijk, genotvol. ECHTHEID, v. geloofwaardigheid; zuiverheid (van metalen).