Wat is de betekenis van WETTIG?

2024-06-16
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-16
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

wettig

wettig - Bijvoeglijk naamwoord 1. in overeenstemming met de wet Hier valt niet over te twisten, dit is een wettig besluit! wettig - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wettigen ♢ Ik wettig 2. gebiedende wijs van w...

2024-06-16
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

wettig

wettig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: wet-tig 1. wat volgens de wet is ♢ Anja is zijn wettige echtgenote 1. een wettig huwelijk [vastgelegd bij de burgerlijke stand] ...

2024-06-16
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

wettig

wetlik geoorloof; poreenkomstig bepaling v/d wet; geldig; gewettig, toelaatbaar verklaar; wettig maak.

2024-06-16
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Wettig

adj. & adv., wettich.

2024-06-16
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-06-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Wettig

bn. bw. (-er, -st), in overeenstemming met, volgens de wet, bij de wet vergund, erkend enz.: met alle wettige middelen; de wettige weg bewandelen; een wettig huwelijk, door de burgerlijke stand geregistreerd, resp. door de Kerk gesloten; wettig getrouwd, gescheiden zijn; wettige kinderen, uit een wettig huwelijk geboren; de...

2024-06-16
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

wettig

bn., bw. (overeenkomstig de bepalingen der wet: echt, geldig): een wettig aandeel, wettige middelen; een wettig huwelijk aangaan; ze zijn wettig getrouwd d.i. voor de wet; wettig betaalmiddel, Ned. munten, bankbiljetten en zilverbons; wettig gedeponeerd, van fabrieks-, handelsmerken, officieel ingeschreven.

Wil je toegang tot alle 13 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-16
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

wettig

('wettəch) bn. en bw. (-er, -st) 1. echt. 2. behoorlijk toekomend : een aandeel. 3. bevoegd : een rechter. 4. geldig : een huwelijk. 5. uit een wettig huwelijk : -e kinderen. 6. volgens, voor de wet : gedeponeerd, getrouwd. 7. door de wet erkend : een betaalmiddel. Syn. wettelijk.