Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bevoegd

betekenis & definitie

BEVOEGD, bn. (-er. -st), door de wet of eenig erkend gezag tot iets gerechtigd zijn; van iets aan de bevoegde macht kennis geven, wier taak en wier recht het is daarvan kennis te nemen;

— de bevoegde ambtenaar, daartoe aangewezen; bevoegd zijn een vak te onderwijzen; de schoolopziener is bevoegd, een onderwijzer tot ontslag voor te dragen;
— ik reken mij niet bevoegd over muziek mee te spreken, daartoe ontbreekt mij de noodige kennis;
— een bevoegd beoordeelaar, die door zijne kennis recht van spreken heeft;
— het is ons van bevoegde zijde meegedeeld, door een bevoegd persoon.
BEVOEGDE, m. en v. (-n), een bevoegd persoon.
BEVOEGDHEID, v. (...heden), recht tot handelen, oordeelen enz. de bevoegdheden van den burgemeester; bevoegdheid tot geven van lager onderwijs erlangen, bekwaamheid, geschiktheid.