Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

2018-12-02

Trappen

betekenis & definitie

Trappen - (trapte, heeft getrapt), hard, stevig of vlak de voeten op of in iets neerzetten : jongen, trap zoo niet, loop wat zachter ; in de modder, in een plas trappen;

— in een spijker, in een stuk glas trappen, zoodat deze in den voet doordringen;
— iem. op de teenen, op de eksteroogen trappen, (fig.) hem beleedigen ;
— veen, turf, klei trappen, door trappen bereiden ;
— het orgel trappen, den blaasbalg voor het orgel met lucht vullen;
— water trappen, zich rechtop in water in evenwicht houden zonder den bodem aan te raken ;
— de maat trappen, door het trappen met den voet aangeven ;
— iem. trappen, hem één of meer trappen geven , (fig.) diep beleedigen, onderdrukken ;
— (met hebben en zijn) op eene fiets rijden : hij trapte in twee uur van Den Haag naar Haarlem.