Trappen betekenis & definitie

Trappen - (trapte, heeft getrapt), hard, stevig of vlak de voeten op of in iets neerzetten : jongen, trap zoo niet, loop wat zachter ; in de modder, in een plas trappen; — in een spijker, in een stuk glas trappen, zoodat deze in den voet doordringen; — iem. op de teenen, op de eksteroogen trappen, (fig.) hem beleedigen ; — veen, turf, klei trappen, door trappen bereiden ; — het orgel trappen, den blaasbalg voor het orgel met lucht vullen; — water trappen, zich rechtop in water in evenwicht houden zonder den bodem aan te raken ; — de maat trappen, door het trappen met den voet aangeven ; — iem. trappen, hem één of meer trappen geven , (fig.) diep beleedigen, onderdrukken ; — (met hebben en zijn) op eene fiets rijden : hij trapte in twee uur van Den Haag naar Haarlem.