Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Trap

betekenis & definitie

Het begrip trap heeft 4 verschillende betekenissen:

1. trap - trap - m. (-pen), het trappen : het is een heele trap van hier naar Amsterdam op de fiets; het doen of geven van een trap, stamp : een trap op den grond geven ;
— het treden met den voet, tred : iem. een trap geven.

2. trap - trap - m. (-pen), ééne trede eener trap : het is 40 trappen hoog ; de trappen opgaan, afgaan ;
— (spr.) de trappen van het stadhuis zijn glibberig, wie eene trouwpartij bij woont, glijdt licht zelf in de huwelijksfuik, van trouwen komt trouwen;
— (scherts.) iem. de trappen laten tellen, van de trappen smijten ;
— hij is van de trappen gevallen, zijn haar is geknipt;
— graad van opklimming in rang : hij klom van trap tot trap. langzamerhand, van lieverlede;
— op den eersten trap van de maatschappelijke ladder; hij staat op een hoogen trap van beschaving, van ontwikkeling;
— trap op, trap neer, op- en nedergaande; bij trappen, trapsgewijze;
— (taalk.) de trappen van vergelijking (van bijv. naamw.), de verschillende vormen der bn. die aanduiden in welken graad de hoedanigheid in de zelfstandigheid aanwezig is of daaraan wordt toegekend : de stellende trap ; de vergrootende trap, de overtreffende trap;
— (muz.) afstand of overgang van eene lijn op de naaste tusschenruimte, of van deze weder op de naaste lijn, hetzij op- of nederwaarts, op den notenbalk. TRAPJE, o. (-s).

3. trap - trap - v. (-pen), voor al de treden te zanten : verhevenheid (van hout, steen enz.) door middel waarvan men naar boven of naar beneden komt; eene steile, hooge, donkere trap ;
— eene scheeve trap, waarvan de trapgrond een scheefhoek is ;
— scheluwe trap, eene dubbel scheeve trap ;
— eene wenteltrap, de richtingverandering der trap heeft bijna regelmatig van trede tot trede plaats ;
— slingertrap of wenteltrap met trapgat, de binnenboom der trap beschrijft op den trapgrond een regelmatigen vorm;
— Engelsche trap, wenteltrap met open trapgaten ;
— zij wonen op ééne trap, zij bewonen bovenkamers, die ééne gemeenschappelijke trap tot opgang hebben; buren op dezelfde trap;
— hij woont drie trappen hoog, op de vierde verdieping ;
— trapladder. TRAPJE, o. (-s), kleine trap, inz. kleine trapladder.

4. trap - trap - v. (-pen), trapgans.