Trappen
(trapte, heeft getrapt), 1. de voet op of in iets neerzetten, bep. met de gedachte dat dit onbedoeld, onopzettelijk geschiedt: in een hoop, in een plas, in een klem trappen; — (gemeenz.) niet in iets trappen? er niet invliegen, zich niet laten bedotten; — op of in een spijker, in een stuk glas trappen, z&oacu...