Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Loop

betekenis & definitie

1. Loop m. het loopen; wijze van loopen of gaan, gang, tred: hij heeft een zonderlingen loop;

— het afleggen te voet van zekeren afstand: wij hebben een goeden loop gedaan, eene flinke wandeling;
— zijn loop nemen, ijlings heenloopen;
— te gauw zijn loop nemen (of halen), te vroeg of te onpas iets beginnen en daardoor niet slagen;
— het op een loop (ook: het op een loopen) zetten, of op den loop gaan, het hazenpad kiezen, zich snel verwijderen;
— de paarden gingen op den loop, aan het hollen;
— zijn verstand is op den loop, hij denkt niet na, doet dwaze dingen;
— op den loop zijn, niet thuis, uit zijn, wandelen, boodschappen verrichten, enz.; (Zuidn. ook) op zwier zijn;
— deze opera heeft veel loop, lokt veel toeschouwers;
— deze predikant heeft nu eenmaal den loop, bij hem komen de menschen bij voorkeur ter kerk;
— ik ben in mijn loop gestuit, in mijn voornemen verhinderd;
— in den loop blijven, verloren gaan onder de menigte, niet gedaan worden: door de drukte is dit werk in den loop gebleven; iets in den loop laten, iets verliezen, van iets afzien, iets niet voortzetten;
— aan zijn gedachten den vrijen loop laten, zijn verbeeldingskracht laten werken;
— van levenlooze dingen die zich bewegen: de loop van het bloed; de loop eener rivier;
— van hemellichamen: de loop der zon, der maan;
— (fig.) in den loop van den dag, op eenig uur van den dag; de loop des tijds; de loop des levens; de loop der jaren; de loop der zaken; de loop der natuur;
— dat is ‘s werelds loop, zoo gaat het in de wereld;
— het terugspringen van een losbrandend kanon;
— buikloop, sterke stoelgang, diarrhee; (inz.) roode-loop.
2. Loop m, het een eind ver loopen, afstand, nz. geringe afstand: van hier tot de markt is het maar een loop; zie LOOPJE.
3. Loop m. (-en), dat deel van een vuurwapen, waarin de lading gebracht en ontstoken wordt: de loop van een geweer, een kanon, een revolver; de holle of ledige ruimte van den loop wordt de ziel, en het achterste gedeelte daarvan, dat de lading opneemt, de kamer geheeten;
— getrokken loop, met spiraalvormige groeven aan de binnenzijde, waardoor de kogel eene borende beweging krijgt;
— gladde loop, waar de binnenzijde glad is;
— loop van buskruit in eene mijn;
— band of lint van’t lintmakersgetouw of den schuifstoel;
— (muz.) eene loopende figuur, eene volgreeks van op- of afgaande snelle noten, diatonisch of chromatisch: tertsen-loopen, sexten-loopen, octaven-loopen; accoorden-loopen.
4. Loop LOPE, v. (lopen), (oudt.) zekere maat: eene loop korens, eene loop zouts, eene loop appelen enz.;
— eene loop lands, eigenlijk eene loopzaad of een lopenzaad lands, d. i. 50 roeden: een stuk lands, dat met eene loop of lope zaad bezaaid kan worden.