Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stevig

betekenis & definitie

Stevig - bn. bw. (-er, -st), STEVIGLIJK, bw. (w. g.) vast, stijf: stevig linnen, laken, hout;

hecht, sterk : een stevig gebouw; een stevige knaap, kerel, die sterk, gespierd is;
—Hink, heel goed: stevig doorstappen; iets stevig vastmaken; (fig.) stevige kost, krachtig voedsel;
— hij lust een stenigen borrel, hij drinkt veel sterken drank. STEVIGHEID, v. vastheid, hechtheid.