Toch
bw., 1. desondanks, niettemin, evenwel: hoe gaarne ik kom, toch blijf ik thuis; ze wisten het wel, en toch werd er nooit over gepraat; — als versterking van een tegenstellend voegw.: het was wel geen doodzonde, maar toch een bedenkelijke zaak; 2. ter verbetering van een juist gedane uitspraak; zeker (wel), eigenlijk: heb...