Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Ja

betekenis & definitie

JA, bw. uitdrukking van bevestiging, toestemming, inwilliging enz.: zijt gij daar geweest ?

— Ja; gaat hij mede ?
— Ja;
— ja knikken (toestemmend enz.);
ik geloof ja, ik geloof van ja, (dat het zoo is);
— ja wel, ja zeker, zeer zeker, zonder twijfel, (ook iron.) daar komt niets van in; (ook) daar geloof ik niets van;
— ja toch, (na eene ontkenning; met ongeduld of wrevel gegeven verzekering);
— soms (vooral in de spreektaal) met een volgend vnw. : ja ik van ganscher harte (van een predikant op de vraag van zijn bevestiger);
— iem. gelooven bij ja en neen, op zijn woord van eer;
— vragend) zoo ? is het waar ? ik heb hem gisteren gezien.
— Ja ?;
— ironisch, gelijk staande met neen: hij was er zeker op tijd ?
— ja, dat kunt gij denken !;
— (Ind. spreektaal) jij gaat ook mee, ja ? niet waar ?; mooi ja ?;
— (gew.) althans, ten minste, wel, al: dat is nog ja zoo goed, als wanneer wij iets anders deden; ik bleef ja zoo lief thuis;
— ja (en zelfs, wat meer is) hij deed het; hij wordt, ja is reeds rijk;
— (vaak nog versterkt door zelfs) mannen, vrouwen en grijsaards, ja zelfs kinderen werden mishandeld;

— o. bevestiging, toestemming: mijn ja is zoo goed ( Is zijn neen; uw ja zij ja, uw neen zij neen;
— ja en amen op alles zeggen, alles goedvinden;
— geen ja en geen neen zeggen, niet beslist toestemmen en evenmin beslist weigeren;
— ja en neen is een lange strijd, zegsw. als er twee twisten en de een den ander niets wil toegeven. JAATJE, o. (-s), (in kindertaal) zeg u dan maar een, klein jaatje, gebezigd als men geen toestemming wil geven.