Ja betekenis & definitie

JA, bw. uitdrukking van bevestiging, toestemming, inwilliging enz.: zijt gij daar geweest ? — Ja; gaat hij mede ? — Ja; — ja knikken (toestemmend enz.); — ik geloof ja, ik geloof van ja, (dat het zoo is); — ja wel, ja zeker, zeer zeker, zonder twijfel, (ook iron.) daar komt niets van in; (ook) daar geloof ik niets van; — ja toch, (na eene ontkenning; met ongeduld of wrevel gegeven verzekering); — soms (vooral in de spreektaal) met een volgend vnw. : ja ik van ganscher harte (van een predikant op de vraag van zijn bevestiger); — iem. gelooven bij ja en neen, op zijn woord van eer; — vragend) zoo ? is het waar ? ik heb hem gisteren gezien. — Ja ?; — ironisch, gelijk staande met neen: hij was er zeker op tijd ? — ja, dat kunt gij denken !; — (Ind. spreektaal) jij gaat ook mee, ja ? niet waar ?; mooi ja ?; — (gew.) althans, ten minste, wel, al: dat is nog ja zoo goed, als wanneer wij iets anders deden; ik bleef ja zoo lief thuis; — ja (en zelfs, wat meer is) hij deed het; hij wordt, ja is reeds rijk; — (vaak nog versterkt door zelfs) mannen, vrouwen en grijsaards, ja zelfs kinderen werden mishandeld; — — o. bevestiging, toestemming: mijn ja is zoo goed ( Is zijn neen; uw ja zij ja, uw neen zij neen; — ja en amen op alles zeggen, alles goedvinden; — geen ja en geen neen zeggen, niet beslist toestemmen en evenmin beslist weigeren; — ja en neen is een lange strijd, zegsw. als er twee twisten en de een den ander niets wil toegeven. JAATJE, o. (-s), (in kindertaal) zeg u dan maar een, klein jaatje, gebezigd als men geen toestemming wil geven.

Laatst bijgewerkt 13-09-2018