Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stoom

betekenis & definitie

Stoom - m. damp van kokend water, waterdamp van eene spanning minstens gelijk aan den dampkringsdruk, gebezigd tot het in beweging brengen der stoommachines ; die molen werkt met stoom; stoom wordt overal toegepast; stoom op hebben, van booten, machines enz. gereed om te stoomen; (fig.) veel stoom op hebben, over veel werkkracht beschikken; (spr.) dat gaat met stoom, zeer snel, vlug ;

— walm eener lamp.