Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

SPANNING

betekenis & definitie

SPANNING - v. (-en), het spannen;

— (nat.) spankracht: stoom van hooge spanning;
— (electr.) electriciteit van hooge spanning;
toestand van iets dat gespannen is: spanning der zenuwen, samentrekking, inspanning;
— in spanning iets afwachten, den uitslag van het examen tegemoet zien; (fig.) verflauwing van vriendschap : zij leven in zekere spanning met elkander;
— afstand tusschen twee steunpunten: die brug heeft eene spanning van 200 M.; de spanning van een boog, een gewelf; spanning van eene perronkap, geraamte van trek- en steunijzers;
— houten lat of stok of ijzeren staaf, waarmee de blinden gesloten worden.