Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Stijf

betekenis & definitie

Stijf - bn. bw. (...ver, -st), hard, onbuigzaam, vast; stijve haren, borstels, penseelen, schoenen, boorden;

— het linnengoed is te stijf, er is te veel stijfsel in;
— stijf laken, niet soepel;
— (zeew.) een stijf schip, dat veel zeilen kan voeren, zonder over te hellen;
— stijve spieren, die men niet of alleen met moeite en pijn kan bewegen, inz. ten gevolge van koude of eene verwonding : stijve handen (door de koude);
— een stijve nek, verstijfd door het vatten eener koude ;
— een stijve arm, ten gevolge van verwonding;-
—zich stijf houden,, niet medegeven;
— (rijsch.) een stijf paard, bevangen;
— sterk, krachtig; (zeew.) eene stijve koelte, harde wind;
— veel, groot, ruim : het kan nu stijf drie vur wezen; het is stijf drie mijlen hier vandaan;
— onhandig, onbevallig ; stijve manieren ; eene stijve houding :
— onbevallig: eene stijve vertaling; een stijve stijl;
— trotsch, gemaakt: het was zeer stijf in het gezelschap ;
— koppig : hij houdt stijf en strak staande; hij staat stijf op zijn stuk ; iem. stijf in het aangezicht kijken: (hand.) de markt is stijf, de prijzen houden zich staande of gaan zelfs omhoog, door I veel aanvraag.