Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Vast

betekenis & definitie

Het begrip vast heeft 2 verschillende betekenissen:

1. vast - VAST - bn. (-er, meest -), in zijne deelen sterk samenhangend, niet los: dat hout is nogal vast; eene vaste rots; den vasten grond onder de voeten hebben; de vaste wal, in tegenstelling van de zee; het vaste land;
— (spr.) dat is zoo vast als een muur, zeer onbeweeglijk; ik zit zoo vast als een muur, ik zie geen uitweg, geene uitkomst;
— vast deeg, stijf ineengewerkt;
dicht: een vast weefsel, vast laken; vast vleesch; vaste spijzen, in tegenst. met losse, vloeibare spijzen;
— niet vloeibaar : de vaste lichamen, waarvan de deelen vrij veel samenhang hebben: water wordt beneden 0° C. vast;
— onroerend : vaste goederen;
— hij verkoopt alles wat los en vast is, (eig.) zijne roerende en onroerende goederen; (thans) alles wat hij maar heeft;
— niet beweeglijk : een vast punt;
— vaste sterren, die ten opzichte van elkander nagenoeg niet van plaats veranderen; in tegenst. met dwaalsterren en planeten;
— versterkt: eene vaste plaats, eene vesting; vaste legerplaatsen;
— vastgebonden: dat touw, die knoop zit vast; (spr.) daar zal veel aan vast zijn, dat zal veel moeite kosten, zorg baren;
— daar zit meer aan vast dan gij denkt, dat is moeilijker, samengestelder enz. dan gij denkt;
— blijvend, duurzaam: een vast gebouw, hecht, stevig: eene vaste gezondheid genieten; eene vaste woning, in tegenst. met tijdelijke;
— een vaste slaap, diep, waaruit men niet gemakkelijk wakker wordt;
— vaste leveranciers, klanten, afnemers, waarop men rekenen kan;
— eene vaste aanstelling, in tegenst. met tijdelijk;
— vast werk, vast geld, een vast inkomen hebben;
— vaste meiden en knechts, die niet bij den dag of de week zijn aangenomen;
— vaste prijzen, niet veranderlijk, waarop men niet kan afdingen;
— de koffie vast (in een marktbericht), de hoogste en laagste prijzen liepen weinig uiteen;
— onveranderlijk : eene vaste kleur, die niet verschiet; met vasten tred;
— eene vaste hand hebben, zie HAND; (spr.) hij rijdt eene vaste schaats, hij is zeker van zijne zaken;
— met vaste stem, in tegenst. met onzeker;
— een vast karakter, dat zichzelf gelijk blijft;
— op een vast uur, bepaald, geregeld;
— onwrikbaar: een vast geloof, vertrouwen, hoop; het is mijne vaste overtuiging, ik geloof stellig;
— een vast besluit, waarvan men niet afwijkt; stijf en vast beweren, ten stelligste;
— ik heb het voor vast gehoord, voor waarheid;
— vast en zeker, zeer zeker.

2. vast - VAST - bw. in bijna alle beteekenissen van het bn.; vast slapen; vast beloven, zeker, stellig; gij kunt er vast op rekenen; (spr.) vast in ’t zadel zitten, zie ZADEL;
intusschen, onderhand: ik zal vast betalen; hij ging zich vast kleeden;
hier hebt ge al vast een gulden, voorloopig.