Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Sterk

betekenis & definitie

Sterk - bn. bw. (-er, -st), stijf, hard: iets stijf en sterk beweren, staande houden, ontkennen, in hooge mate, met kracht;

— stijf en sterk op iets aandringen;
stevig, vast, duurzaam : sterk laken; sterke schoenen, die niet gauw slijten;
— sterke lijm, die stevig kleeft;
— sterke kleuren, die niet spoedig verschieten; sterke muren; eene sterke vesting; een sterk gebouw, schip; sterk hout; veel kunnende weerstaan, verdragen of dragen, vol kracht: sterke planken, balken; sterke ijzeren staven ; eene sterke maag, gestel; sterke spieren, zenuwen;
— sterk van inhoud zijn, eene stevige gezondheid genieten ;
— vol lichaamskracht, spierkracht : een sterke man; hij is zoo sterk als een paard, zeer sterk ; de olifant is buitengewoon sterk in de slurf; hij is sterk in zijne armen, beenen ;
— (spr.) het zijn sterke beenen die de weelde kunnen dragen, zie BEEN;
— het recht van den sterkste;
wie niet sterk is, moet slim zijn, slimheid gaat soms boven kracht;
— de sterke arm der wet; den sterken arm inroepen, de hulp der openbare macht;
— het sterke geslacht, de mannen;
moedig, flink: wees sterk : gedraag u als een man ; sterk in ’t ongeluk, in den tegenspoed zijn; sterk in 't geloof zijn;
bekwaam in : hij is sterk in aardrijkskunde, op de viool; hij is sterk bij het kaarten, biljarten; het is een sterk speler, die vaak wint, (ook) die vaak speelt, (ook) die grof speelt; hij is een sterke schaker, dammer;
hevig, geweldig, in hooge mate : het vriest, waait, regent, rookt sterk; het is een sterke vorst, wind, regen, rook;
— het is een sterke rooker, hij rookt veel en zwaar;
iets sterk overdrijven,, in hooge mate; iets sterk aanbevelen, betwijfelen; zich iets te sterk aantrekken;
dat is sterk, krachtig, treffend doorgeest of eene andere eigenschap ;
ik maak mij sterk hem over te halen, ik wed dat ik hem kan overhalen ;
— krachtig, doordringend, in hooge mate prikkelend : eene sterke stem; sterke drank, geestrijk, bedwelmend, b.v. jenever ;
— sterke pekel, eene sterke oplossing, met veel vaste bestanddeelen ;
— sterke koffie, thee, in tegenstelling met slap ; een sterke reuk, doordringend, meest onaangenaam ;
— eene sterke lucht, doordringende, scherpe geur ;
— sterke boter, die sterk, onaangenaam smaakt;
— sterk water, sterkwater; (in Z.-A.) blijvend water in putten ;
— talrijk : de bezetting is 5000 man sterk; een sterken aanhang hebben; eene sterke partij;
— zeer groot: dit boek heeft eene sterke oplaag;
— zeer veel: hij eet, drinkt sterk, het is eene sterke eter, drinker;
— sterk afgaan, veel ontlasting hebben;
— (taalk.) sterke werkwoorden, de meerstammige; de sterke vervoeging, die der sterke werkw.; de sterke verbuiging, waarbij de buigingsuitgang dadelijk aan het woord gevoegd werd. STERKHEID, v.