Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kerel

betekenis & definitie

KEREL, m. (-s), flinke, zwaargebouwde vent, inz. arm of van mindere beschaving daar liepen een paar kerels op den weg; een dronken kerel;

man in 't algemeen: 't is een goede kerel;
— op medelijdenden toon die arme kerel;
— in aansprekingen kerel, ben je daar kerel, wat zie je er goed uit!;
— een kerel als een boom groot, sterk, flink;
— een kerel als Kas, klein, nietig ventje, die meent dat hij heel wat is;
— wees nu eens een kerel, durf nu eens, houd je nu eens flink;
— een kerel, die ’t hem nadoet, niemand kan ’t hem verbeteren;
— hij meent nu al een heele kerel te zijn, al heel wat te beteekenen, te kunnen, inz. gezegd van een herstellenden zieke die nog uiterst voorzichtig moet zijn;
— (plat) echtgenoot: haar kerel is van haar weggeloopen; zij zou nog graag een kerel hebben, nog graag trouwen;
— baas, van iets dat zeer groot is, kanjer wat een kerel van een snoek ligt daarl KERELTJE, o. (-s), manneke; knaapje.