Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Schoon

betekenis & definitie

Het begrip schoon heeft 3 verschillende betekenissen:

1. schoon - SCHOON - bn. bw. (-er, -st), wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat een aangenamen indruk op de zinnen, op den geest maakt, wat fraai, mooi, sierlijk, behaaglijk, regelmatig, verlokkelijk, bekoorlijk is : een schoon vergezicht; schoone oorden, landstreken; eene schoone schilderij; de schoone gebouwen; een schoon kind; een schoon paard; een schoone vogel; eene schoone , vrouw met schoone oogen, schoon haar; eene schoone gestalte; zij was schoon om te stelen, verrukkelijk schoon;
— het schoone geslacht, de vrouwen;
— eene schoone hand schrijven; schoon schrijven, teekenen, dansen, schaatsenrijden;
— wat het gehoor . streelt; eene schoone stem; schoone muziek; schoon klinken;
— wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet: een schoon gedicht; een schoon boek, in schoonen stijl, met schoone gedachten;
— de schoone kunsten, de dicht-, rede-, schilder-, beeldhouw-, toon- en danskunst;
— wat ons zedelijk gevoel treft : schoone daden; schoone gedachten; eene schoone ziel;
— dat staat u niet schoon, dat past u niet, is in u te laken;
— (iron.) dat is wat schoons, dat is wat moois;
— dat zal er schoon uitzien; eene schoone manier van doen;
— wat op den geheelen mensch een aangenamen indruk maakt: schoon weer; een schoone zomerdag; in het schoone jaargetijde; de schoonste dood is die door zelfopoffering;
— het schoonste van de grap was, dat het vermakelijkste, het gekste;
— dat was eene schoone kans. gelegenheid, goed, geschikt;
— het koren staat schoon, groeit welig;
— groot, aanzienlijk; eene schoone som geld; dat is een schoon fortuin; negentig jaar. dat is een schoone ouderdom;
— rein, zuiver, het tegendeel van vuil: schoon goed aantrekken; schoone kousen klaarleggen; de borden, vorken en lepels schoon wegzetten; een schoon gezicht en schoone handen hebben; zich met zeep schoon wasschen; een schoon boord aandoen; zijne kleeren schoon afborstelen;
— neem een schoon bord, glas, dat nog niet gebruikt is;
— schoon papier, zonder vlakken, (ook) dat nog niet gebruikt is, onbeschreven, onbeteekend;
— schoon water drinken, zuiver, helder, zoet water;
— (zeew.) de zeestraat is vrij breed en volmaakt schoon, zonder klippen;
— schoon schip maken, eene zaak behoorlijk regelen, (ook) aan alle misbruiken in eens een einde maken, (ook) eene darmzuivering houden;
— (Z. A.) schoon veld maken, het gras voor iemands voeten wegmaaien; (ook) alles opeten wat er is;
— ƒ500 schoon geld. na aftrek van alle onkosten, zuivere verdienste;
— geheel en al; alles is schoon opgegeten; ik heb mijn geld schoon uitgegeven.
SCHOONHEID, v. (...heden), de eigenschap van schoon te zijn; alles wat schoon is; schoone vrouw, schoon kind.

2. schoon - SCHOON - o. wat schoon is : (dicht.) het godlijk schoon; het eeuwig schoon; men moet het schoone aan het nuttige paren; de leer van het schoone, de aesthetica.

3. schoon - SCHOON - vw. ofschoon, (al)hoewel, ter inleiding van een toegevenden bijwoordelijken bijzin:

schoon nog niet geheel hersteld, ging hij vol vuur aan den arbeid.