Wat is de betekenis van Schoon?

2022
2022-11-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

schoon

1) (1997) (spoorw.) alle passagiers zijn gecontroleerd: 'De trein is schoon'. • (Wim Daniëls: Werk-woorden. Foempen. Bram-pijn en andere bijzondere woorden in bedrijven en instellingen. 1997) 2) (1991) (wielr., euf.) zonder stimulerende middelen; clean. • De laatste twee jaar is de Tour van dopingaffaires verschoond ge...

Lees verder
2018
2022-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schoon

schoon - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 1. zonder stof, viezigheid of vlekken ♢ zijn je handen wel schoon? 1. schoon aan de haak [naakt gewogen] 2. met een schone lei beginnen...

Lees verder
2017
2022-11-30
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Schoon

Te interpeteren als 'de schone', bijnaam voor een schoon, mooi of knap persoon. Uit een stamreeks onder documentatie komt als een oudere vorm 'schoonder' naar voren, die uit 'schonaard' (iemand die schoon is) zou kunnen komen, maar ook een beroepsnaam kan aanduiden: schoner = schoonmaker (bijvoorbeeld iemand die waterlopen van waterplanten ontdoet)...

Lees verder
2017
2022-11-30
Junkies en dealers

Jargon & Slang van Junkies en dealers

Schoon

Schoon - clean.

2009
2022-11-30
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

schoon

→ clean

2004
2022-11-30
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

schoon

(1) Vrij van drugs, doping. Een vertaling van het Engelse ‘clean’, dat eerst in drugskringen gebruikelijk was maar nu ook in de sportwereld ingeburgerd raakt. In alle andere sporten neemt men doping toch met een korrel zout? Dat zou best kunnen, al is het natuurlijk niet zo dat de atletiek als een van de ‘schoonste’ sporten bekendstaat. HP/De T...

Lees verder
2004
2022-11-30
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

schoon

(bn. en bw.) in België ook: mooi, knap. ‘En 't is ook een schoon madam, hé’, besluit Nesten lachend. - LN, 20-03-2003 Denert hield - in gezelschap van medeactievoerders - woord en legde zich in z'n schoon kostuum en met tricolore sjerp voor de werftransporten. - LN, 19-03-2003. -flink, degelijk, fatsoenlijk. Zate...

Lees verder
1998
2022-11-30
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Schoon

1 schone gordijnen en geen lakens, Groningse uitdr. die men wel eens in de mond neemt wanneer iemand die in feite geen hemd om het lijf heeft, zich erg chic gekleed voordoet. Vgl. aangekleedgaat uit. 2 - aan de haak, naakt gewogen. Schertsende uitdr. Ach dames, is er hier echt nog nooit een man in huis geweest? Sinds je vader dan. Kijk ze kijken. M...

Lees verder
1990
2022-11-30
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

schoon

schoon - Een aangename eigenschap die samenhangt met harmonische vormen of kleuren, buitengewoon vakmanschap, oprechtheid, oorspronkelijkheid of een andere, vaak niet nader omschreven eigenschap.

1973
2022-11-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Schoon

I. bn. en bw. (schoner, -st), 1. wat het gezicht aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; fraai, mooi; van mooi wordt het wel onderscheiden als een hogere, zuiver esthetische kwaliteit: een schoon landschap; (zelfst.) het schone; de leer van het schone, de esthetica; het schone geslacht, de vrouwen; met betrekking tot het gehoor: schoon klinken; va...

Lees verder
1963
2022-11-30
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

schoon

: schone droom (de, dromen), droom met een herkenbare boodschap. - Zie ook: goede en slechte droom.

Lees verder
1952
2022-11-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Schoon

adj. & adv.; (mooi), moai, sierlik, swiid; (zindelijk), skjin, rein, suver.

1950
2022-11-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Schoon

I. (mooi,netjes)bn. bw. (schoner, -st), 1. wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat behaaglijk is voor oog of oor (met betr. tot de andere zinnen is het niet in gebruik), wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet, fraai, mooi; in N.-Nederl. niet in de spreekt., behalve in iro...

Lees verder
1937
2022-11-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

schoon

I. bn., bw.; schoner, schoonst (1 hetgeen ons aangenaam aandoet, onze zintuigen streelt, ook hetgeen ons zedelijk treft, geestelijk genot verschaft: fraai, mooi, behaaglijk enz.; 2 zindelijk, rein): 1. een schoon landschap, een schoon standbeeld; schone gedachten; 2. schone handen; een schone handdoek: zie haak I, 1 en lei II; II. bw. (1 op een sc...

Lees verder
1933
2022-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schoon

(aesthetica), 1° In den breedsten zin synoniem van ➝ aesthetisch: datgene, welks aanschouwing behaagt. Dit behagen, tegengesteld aan den wellust van de naar werkelijk bezit gerichte neigingen, wordt onbaatzuchtig geheeten. Wijl onbaatzuchtig, maakt het aanspraak op algemeene geldigheid (➝ Smaak). 2° In den engeren zin is het schoone een soo...

Lees verder
1911
2022-11-30
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Schoon

van den Germ. wt. skau = schouwen, zien (vgl. beschouwen); schoon w. d. z.: wat gezien kan worden, wat toonbaar is, en hieruit ontwikkelde zich de bet.: wat mooi is. In schoonvader, enz. is schoon een letterlijke (bij ons dus vrijwel zinledige) vertaling van ’t Fr. beau = schoon, beaupere, enz.

1898
2022-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schoon

Het begrip schoon heeft 3 verschillende betekenissen: 1. schoon - SCHOON - bn. bw. (-er, -st), wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat een aangenamen indruk op de zinnen, op den geest maakt, wat fraai, mooi, sierlijk, behaaglijk, regelmatig, verlokkelijk, bekoorlijk is : een s...

Lees verder
1898
2022-11-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Schoon

zie Aardig, zie Helder.

1864
2022-11-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Schoon

Schoon, bn en bijw. (-er, -st), fraai, mooi, sierlijk, behagelijk; regelmatig, verlokkelijk, bekoorlijk; rein, zuiver, helder; de -e kunne, de vrouwen; een - (zuiver) kleed; een - (fraai) gebouw; eene -e hand (mooi) schrijven; een - (gewasschen) hemd; - linnengoed; een - (nog ongebruikt) glas, bord; - (helder) water; (drukk.) -e bladen, die voor go...

Lees verder
1856
2022-11-30
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Schoon

b.n. - Fraai, rein, helder. Van de zee gezegd, beduidt het: zonder klippen. De zeestraat is vrij breed en volmaakt schoon.Spreekwijze: Schoon schip maken. Zie schip.

Lees verder