Schoon
I. (mooi,netjes)bn. bw. (schoner, -st), 1. wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat behaaglijk is voor oog of oor (met betr. tot de andere zinnen is het niet in gebruik), wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet, fraai, mooi; in N.-Nederl. niet in de spreekt., behalve in iro...