Wat is de betekenis van Schoon?

2018
2020-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schoon

schoon - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 1. zonder stof, viezigheid of vlekken ♢ zijn je handen wel schoon? 1. schoon aan de haak [naakt gewogen] 2. met een schone lei beginnen...

Lees verder
2017
2020-11-30
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Schoon

Te interpeteren als 'de schone', bijnaam voor een schoon, mooi of knap persoon. Uit een stamreeks onder documentatie komt als een oudere vorm 'schoonder' naar voren, die uit 'schonaard' (iemand die schoon is) zou kunnen komen, maar ook een beroepsnaam kan aanduiden: schoner = schoonmaker (bijvoorbeeld iemand die waterlopen van waterplanten ontdoet)...

Lees verder
2017
2020-11-30
Junkies en dealers

Jargon & Slang van Junkies en dealers

Schoon

Schoon - clean.

2009
2020-11-30
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

schoon

→ clean

2004
2020-11-30
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

schoon

(1) Vrij van drugs, doping. Een vertaling van het Engelse ‘clean’, dat eerst in drugskringen gebruikelijk was maar nu ook in de sportwereld ingeburgerd raakt. In alle andere sporten neemt men doping toch met een korrel zout? Dat zou best kunnen, al is het natuurlijk niet zo dat de atletiek als een van de ‘schoonste’ sporten bekendstaat. HP/De T...

Lees verder
1998
2020-11-30
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Schoon

1 schone gordijnen en geen lakens, Groningse uitdr. die men wel eens in de mond neemt wanneer iemand die in feite geen hemd om het lijf heeft, zich erg chic gekleed voordoet. Vgl. aangekleedgaat uit. 2 - aan de haak, naakt gewogen. Schertsende uitdr. Ach dames, is er hier echt nog nooit een man in huis geweest? Sinds je vader dan. Kijk ze kijken. M...

Lees verder
1990
2020-11-30
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

schoon

schoon - Een aangename eigenschap die samenhangt met harmonische vormen of kleuren, buitengewoon vakmanschap, oprechtheid, oorspronkelijkheid of een andere, vaak niet nader omschreven eigenschap.

1973
2020-11-30
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

schoon

I. bn. en bw. (schoner, -st), 1. wat het gezicht aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; fraai, mooi; van mooi wordt het wel onderscheiden als een hogere, zuiver esthetische kwaliteit: een – landschap; (zelfst.) het schone; de leer van het schone, de esthetica; het schone geslacht, de vrouwen; met betrekking tot het gehoor: – klinken;...

Lees verder
1933
2020-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schoon

(aesthetica), 1° In den breedsten zin synoniem van ➝ aesthetisch: datgene, welks aanschouwing behaagt. Dit behagen, tegengesteld aan den wellust van de naar werkelijk bezit gerichte neigingen, wordt onbaatzuchtig geheeten. Wijl onbaatzuchtig, maakt het aanspraak op algemeene geldigheid (➝ Smaak). 2° In den engeren zin is het schoone een soo...

Lees verder
1898
2020-11-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Schoon

zie Aardig, zie Helder.

1898
2020-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schoon

Het begrip schoon heeft 3 verschillende betekenissen: 1. schoon - SCHOON - bn. bw. (-er, -st), wat het gezicht door vorm, kleur, verhouding enz. aangenaam aandoet, wat bewondering wekt; in het algemeen, wat een aangenamen indruk op de zinnen, op den geest maakt, wat fraai, mooi, sierlijk, behaaglijk, regelmatig, verlokkelijk, bekoorlijk is : een s...

Lees verder