Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

aangenaam

betekenis & definitie

Aangenaam - bn. en bw. (aangenamer, aangenaamst), (een gevoel, eene gewaarwording) van dien aard, dat men het gaarne ondervindt; behaaglijk, zoet; (van personen, zaken, hoedanigheden) zoo gesteld, dat zij een aangenamen indruk geven, een aangenaam gevoel opwekken; streelend, zacht, heerlijk; - zich bij iemand aangenaam maken, zijne gunst weten te verwerven;

- iets voor aangenaam houden, nemen, iets met welgevallen aannemen, goedkeuren; (beursterm), (van effecten en obligatiën), gewild, gezocht: de Russen zijn iets aangenamer; - aangenaam klinken, wandelen, op eene wijze, die aangenaam is.