Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VORM

betekenis & definitie

VORM - m. (-en), uiterlijke gedaante, fatsoen : de aarde heeft den vorm van een sinaasappel; de vorm van een hoed ;

uiterlijk : de verschillende vormen der kristallen ; dieren met plompen, slanken vorm ; planten van uiteenloopenden vorm;
— de juiste gestalte die iets hebben moet, de wijze van samenstelling : een contract in den vorm opmaken; naar of in den vorm, zooals het behoort, in forma ;
— de wijze van zich voor te doen : hij heeft nette vormen over zich;
— iem. zonder vormen, zonder nette manieren ;
— voor den vorm iem. vragen, verzoeken, omdat het zoo behoort, niet omdat men het meent;
— de vormen in acht nemen, beleefdheden ;
— (fig.) iets in een anderen vorm gieten, daaraan een ander voorkomen geven;
— iets een nieuwen vorm geven ; de verschillende leervormen ;
— (drukk.) het zetsel, in een raam vereenigd, dat alzoo gedrukt wordt; lettergietersmatrijs;
— (pap), werktuig van draad waarop het papier geschept wordt;
— (katoendr.) houten plaat met figuren die op de stof worden gedrukt;
— (in de metaalgieterij) een in klei afgedrukt model: het aanstampen der vormen; (bij knoopenmakers) ronde schijf van hout, been, enz., die met kemelshaar enz. overtrokken wordt. VORMPJE, o. (-s), kleine vorm.