VORM betekenis & definitie

VORM - m. (-en), uiterlijke gedaante, fatsoen : de aarde heeft den vorm van een sinaasappel; de vorm van een hoed ; — uiterlijk : de verschillende vormen der kristallen ; dieren met plompen, slanken vorm ; planten van uiteenloopenden vorm; — de juiste gestalte die iets hebben moet, de wijze van samenstelling : een contract in den vorm opmaken; naar of in den vorm, zooals het behoort, in forma ; — de wijze van zich voor te doen : hij heeft nette vormen over zich; — iem. zonder vormen, zonder nette manieren ; — voor den vorm iem. vragen, verzoeken, omdat het zoo behoort, niet omdat men het meent; — de vormen in acht nemen, beleefdheden ; — (fig.) iets in een anderen vorm gieten, daaraan een ander voorkomen geven; — iets een nieuwen vorm geven ; de verschillende leervormen ;

— (drukk.) het zetsel, in een raam vereenigd, dat alzoo gedrukt wordt; lettergietersmatrijs; — (pap), werktuig van draad waarop het papier geschept wordt; — (katoendr.) houten plaat met figuren die op de stof worden gedrukt; — (in de metaalgieterij) een in klei afgedrukt model: het aanstampen der vormen; (bij knoopenmakers) ronde schijf van hout, been, enz., die met kemelshaar enz. overtrokken wordt. VORMPJE, o. (-s), kleine vorm.

Laatst bijgewerkt 06-12-2018