Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gezond

betekenis & definitie

GEZOND, bn. bw. (-er, -st), zonder lichamelijk Ietsel; ongedeerd ik ben hier gezond en wel aangekomen; gezond van lijf en leden; blijf gezond (heilwensch, inz. bij Israëlieten), vaarwel; op zijn gezonde been strompelt hij voort, het andere kan hij niet gebruiken; tot in het gezonde vleesch snijden, het gave, niet aangetaste vleesch; -

— door geen lichaamsgebrek belemmerd, kloek, stevig: hij is gezond en frisch; eene dikke, gezonde zus; dat is een gezonde broeder, een dikke, sterke kerel; een paar gezonde wangen;
— welvarende, niet gekweld door ziekte eene gezonde min; hij is zoo gezond als een visch; een gezond gestel; hij heeft eene gezonde borst; eene gezonde maag hebben, (scherts.) stevig kunnen eten; eene gezonde boterham, dik, stevig, voedzaam; (scherts.) de gezonde apotheek, voedzame spijs en drank hij houdt het met de gezonde apotheek en laat den dokter thuis. (ook) eene ververschingskraam op de kermis;
— een gezonde slaap, zooals iemand geniet die gezond is; eene gezonde kleur, eene blozende, frissche kleur;
— in gezonde dagen, als men gezond is;
— niet ziek hij is altijd gezond; ik was ziek, maar de dokter heeft mij weer gezond gemaakt; bitter in den mond maakt het hart gezond; hij is gezond van hoofd en hart; (bijb.) gezond in het geloof, zuiver in de leer, rechtzinnig;
— onbedorven gezond verstand, het onbedorven, natuurlijk verstand (vaak in tegenst. met aangeleerde kennis): hij heeft geen greintje gezond verstand; een gezond oordeel hebben, een degelijk oordeel; een gezond hoofd, gezonde hersens, een helder verstand; een gezonde smaak, een onbedorven smaak; gezonde begrippen, denkbeelden enz., juiste, heldere begrippen; gezande taal, verstandige taal; eene gezonde levensbeschouwing, eene verstandige, niet ziekelijke levensbeschouwing; de zin is gezond, (bij eene tekstverklaring) er ontbreekt niets aan de duidelijkheid; de zaak is gezond, is in orde, alle bezwaren zijn weggenomen;
— gaaf, ongeschonden, deugdelijk: eene gezonde vrucht;
— tien last gezonde droge Odessa-maïs, niet duf of bedorven;
— gezond touwwerk, deugdzaam, sterk:
— gezond hout. gaaf, niet vervuurd;
— geschikt om iemands welzijn te bevorderen, heilzaam gezond voedsel; water is de gezondste drank; eene gezonde lichaamsbeweging: een gezond huis; eene gezonde streek; een gezond leven; die straf is wel gezond voor hem;
— bw. op eene gezonde wijze gezond wonen, op eene gezonde kamer, in eene gezonde buurt;
— hij kan gezond eten, stevig, flink;
— hij is niet in staat om gezond te redeneer en op eene wijze die getuigt van helder oordeel.