Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Openbaar

betekenis & definitie

Het begrip openbaar heeft 2 verschillende betekenissen:

1. openbaar - Openbaar bn. bw. (-der, -st), voor ieder open en bloot, zoodat ieder het weten kan, klaar, duidelijk : het feit werd openbaar, iedereen wist het; eene openbare leugen;
— in openbare vijandschap met iem. leven, algemeen bekend, wereldkundig;
— dat is een openbaar geheim, iedereen weet het, hoewel men het geheim wilde houden;
— iem. aan de openbare verachting prijsgeven;
— openbare schennis der eerbaarheid, zoodat het publiek er getuige van kan zijn;
— openbare dronkenschap, die geschiedt op openbare plaatsen;
— voor iedereen toegankelijk, publiek : eene openbare verkooping, aanbesteding; de openbare weg; openbare middelen van verweer; de openbare school, waarin het onderwijs vanwege de gemeente gegeven wordt;
— het openbaar onderwijs, op de openbare scholen gegeven;
— eene openbare les;
— een openbaar examen,, waarbij iedereen kan komen toeluisteren; openbare vergadering;
— de openbare liefdadigheid inroepen;
— de algemeene aangelegenheden betreffend: een openbaar ambt;
— een openbaar persoon, die een openbaar ambt bekleed;
— openbare registers, van overheidswege bijgehouden en bestemd om door belanghebbenden, soms wel door iedereen, geraadpleegd te kunnen worden of waarvan aan dezen uittreksels worden gegeven;
— de openbare meening, de publieke opinie; zij werden gestraft als verstoorders der openbare rust, als oproermakers;
— openbaar ministerie, een lichaam, samengesteld uit ambtenaren die bij onderscheidene rechtscollegiën zijn geplaatst, dat in het bijzonder belast is met de handhaving der wetten, de vervolging' van alle misdrijven en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen;
— openbaar aanklager, zie aanklager;
— openbare aanklacht, aanklacht van staatswege. OPENBAARHEID, v. aan iets openbaarheid geven, het wereldkundig maken.

2. openbaar - openbaar - Openbaar o. in ’t openbaar, voor het oog van iedereen, in ’t publiek; zich in ’t openbaar vertoonen;
— in het openbaar spreken.