Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

2018-11-01

Ongerust

betekenis & definitie

Ongerust bn. (-er, meest -), angstig, bekommerd : wees daar niet ongerust over; hij maakte zich ongerust over mijn lang uitblijven;

— blijk gevende van angst: iem. met een ongerusten blik aanzien. ONGERUSTHEID, v.