Ongerust
bn. (-er, meest —), 1. geen innerlijke rust hebbend (wegens een bep. aanleiding), zorg gevoelend, angstig, bekommerd: wees daar niet ongerust over; hij maakte zich ongerust over mijn lang uitblijven. 2. blijk gevende van bekommering: iem. met een ongeruste blik aanzien.