Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Omgeven

betekenis & definitie

omgeven, (omgaf, heeft omgeven), zich rondom den persoon of het voorwerp bevinden, ter betooning van eerbied, belangstelling enz. : talrijke ridders en edelknapen omgaven den vorst; treurende bloedverwanten omgaven het ziekbed; (van verschillende stoffelijke zaken) iem. of iets aan alle kanten omringen, zich er om heen bevinden : rook omgaf ons; een ruime mantel omgaf zijne kloeke gestalte; de binnenplaats was met hooge muren omgeven;

— (fig.) rondom iem. of iets voorvallen, plaats hebben of als aanwezig gedacht worden; met het bijdenkbeeld, dat de persoon of het voorwerp er den invloed van ondervindt: hoeveel gevaar omgaf ons in deze schrikkelijke woestheid der natuur; de stilte, die ons omgaf, was volkomen; iem. of iets omgeven met, iem. of iets omringen: de wolken daalden lager en omgaven ons met nevel en regen; zich omgeven met, als in een kring rondom zich plaatsen, maken dat men aan alle kanten met iets omringd is : als de vorst uitrijdt, omgeeft hij zich met een schitterenden stoet;
— (gaf om, heeft omgegeven), rondgeven, volgens de rij aan allen geven.