Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Oefening

betekenis & definitie

Oefening v. de daad van oefenen, het aankweeken van vaardigheid of kennis bij anderen of bij zichzelven, door middel van geregelde herhaling of voortgezette inspanning: eene langdurige oefening had zijn oor gescherpt;

—, (-en), opgave die strekt om zich in de toepassing van het geleerde te oefenen: oefeningen bij de Nederlandsche Spraakkunst;
— bijeenkomst tot onderlinge stichting, aan het bespreken van godsdienstige onderwerpen, aan zingen en bidden gewijd; werkzaamheid, bezigheid, waardoor men óf een ander, óf zichzelven, óf een vermogen, in iets oefent, of wel iets beoefent; oefeningen des verstands; letterkundige oefeningen. OEFENINGETJE, o. (-s).