Wat is de betekenis van oefening?

2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

oefening

oefening - Zelfstandignaamwoord 1. test om de kennis te peilen De oefening bleek toch zwaarder dan gedacht. Woordherkomst Naamwoord van handeling van oefenen met het achtervoegsel -ing

Lees verder
2018
2023-02-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

oefening

oefening - zelfstandig naamwoord uitspraak: oe-fe-ning 1. wat je doet om iets te leren ♢ door deze oefening leer je je spieren beter gebruiken 1. oefening baart kunst [door iets vaak te doen, leer...

Lees verder
2009
2023-02-07
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

oefening

(de; -en) SP 1 - het oefenen; training; het aankweken van bewegings- en sportvaardigheid door geregelde herhaling of voortgezette inspanning: oefening baart kunst, door oefening krijgt men het vakmanschap. 2 - handeling die dient om (zich) te oefenen in bewegings- en sportvaardigheden, bv. een trainingsoefening, strekoefening, putt oefening, piteho...

Lees verder
2008
2023-02-07
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

oefening

(de; -en) 1 SP - het oefenen, het aankweken van bewegings- en sport- vaardigheid door geregelde herhaling of voortgezette inspanning, syn. training. 2 SP - handeling die dient om (zich) te oefenen in bewegings- en sportvaardigheden. • AI valt hij tien keer van het toestel af, maakt hij veel fouten of wordt het een hopeloze eindscore... de oefening...

Lees verder
1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

oefening

v. (-en), 1. het oefenen, het aankweken van vaardigheid of kennis door geregelde herhalingen of voortgezette inspanning: een langdurige — had zijn oor gescherpt; (zegsw.) baart kunst; 2. protestantse, godsdienstige bijeenkomst tot onderlinge stichting; 3. werkzaamheid, bezigheid waardoor men of een ander, of zichzelf of een vermogen, in iet...

Lees verder
1967
2023-02-07
Kerkelijk woordenboek

Termen uit het katholieke leven (1967)

Oefening

(acte), gebed, waardoor een deugd beoefend wordt, b.v. oefening (acte) van geloof, hoop, liefde enz. Ook het → lof, dat ter eere van de Heilige Maagd in de Meimaand gehouden wordt, noemt men wel Meimaandoefening. Voor de Geestelijke Oefeningen van den H. Ignatius zie Exercitia Spiritualia.

1952
2023-02-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Oefening

s., oefening.

1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Oefening

v. (-en), 1. de daad van oefenen, het aankweken van vaardigheid of kennis door geregelde herhaling of voortgezette inspanning: een langdurige oefening had zijn oor gescherpt', 2. (Prot.) godsdienstige bijeenkomst tot onderlinge stichting; 3. werkzaamheid, bezigheid waardoor men óf een ander, óf zichzelf óf een ver...

Lees verder
1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

oefening

v. oefeningen (1 het oefenen; 2 [school]opgave om zich te oefenen): 1. machts-, straf-, wraak-; godsdienstoefening; oefening baart kunst; vrije en ordeoefeningen; 2. maak oefening acht.

Lees verder
1933
2023-02-07
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Oefening

b/d protestanten, godsdienstige bijeenkomst buiten den openbaren eeredienst om.

1933
2023-02-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Oefening

(psychol.), is het practisch uitvoeren van een handeling om deze daardoor te beheerschen en in bepaalde gevallen tot een zekeren graad van behendigheid te geraken. Het Empirisme leert, dat door o. nieuwe verrichtingen geleerd worden, het Nativisme daarentegen, dat alle prestaties op erfelijken aanleg berusten en dat o. en ervaring niets nieuws sche...

Lees verder
1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

oefening

('oefəning) v. (-en; -etje) I. Eig. het oefenen. II. Metn. 1. wat dient om (zich) te oefenen : gymnastische -en; godsdienst-; -en bij, op de Nederlandse spraakkunst. 2. oefeningen boek met oefeningen (1).

Lees verder
1898
2023-02-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Oefening

Oefening v. de daad van oefenen, het aankweeken van vaardigheid of kennis bij anderen of bij zichzelven, door middel van geregelde herhaling of voortgezette inspanning: eene langdurige oefening had zijn oor gescherpt; —, (-en), opgave die strekt om zich in de toepassing van het geleerde te oefenen: oefeningen bij de Nederlandsche Spraakkunst;...

Lees verder
1856
2023-02-07
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Oefening

z.n.v. - Meer gewoon is, waar het bewegingen van schepen geldt, het uitheemsche woord manoeuvre.