Naad betekenis & definitie

Naad m. (naden), wijze van naaien: de overhandsche, Engelsche, platte, ronde naad; — de verbinding die ontstaat bij het aan elkaar naaien van twee stukken eener stof: den naad glad strijken; een naad lostomen; langs den naad opengescheurd; — (fig.) zich uit den naad loopen, werken, zeer hard loopen, werken; — (Zuidn.) naaiwerk: ik heb nog veel naad liggen; het naaien: zij heeft haar meisje op de naad gedaan; — (scheepst.) vereeniging der banen van een zeil; — (scheepsb. timm.) vereeniging van twee planken, ruimte tusschen twee aan elkaar sluitende planken: de naden van een schip met werk stoppen; door de droogte gaan de naden hoe langer hoe meer open; — voeg waar twee stukken metaal zijn aaneengehecht: gesoldeerde naad; — het werken van den naad, het losgaan; — bij gegoten voorwerpen, de verhevenheid die ontstaat door eene voeg in den gietvorm; — (heelk.) hechting eener wond;

— (ontl.) onbeweeglijke verbinding van beenderen, inz. aan den schedel; — (plantk.) streep in de lengte op de bladeren der peulvruchten; — scheiding in het haar. NAADJE, o. (-s), kleine naad; — (spr.) zijn naadje naaien, zijn gang gaan, doen zooals in zijn aard ligt; (ook) zijn kans waarnemen, zijn voordeel weten te doen; — (breiw.) averechtsche steek wanneer twee ronden zijn gebreid; twee ronden of gangen bij het breien; — (spr.) het naadje van de kous willen weten, het fijne van de zaak.

Laatst bijgewerkt 27-09-2018