Wat is de betekenis van Naad?

2020
2021-10-26
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

naad

(18e eeuw) (meestal verkleinvorm) (inf.) spleet tussen de billen; bilnaad en vandaar: achterwerk, kont. Eigenlijk: voeg tussen twee stukken stof, hout, metaal enz. Vgl. reet*. In uitdrukkingen zoals: 'Hij is zo bang dat je wel een ei in zijn naad kunt gaarkoken’; ‘in zijn naad zitten’: bang zijn. Zie ook: lik m'n naad. In deze bet...

Lees verder
2019
2021-10-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

naad

naad - Zelfstandignaamwoord 1. (kleding) een lijn waarlangs twee losse stukken materiaal aan elkaar genaaid of gelast zijn De naad wordt tweemaal gestikt, waarbij het eerste stiksel in de tweede naad valt. 2. verbinding waar twee stukken materiaal aan elkaar zijn gehecht Synoniemen...

Lees verder
2018
2021-10-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

naad

naad - zelfstandig naamwoord 1. plaats waar twee delen aan elkaar vastgemaakt zijn ♢ de naad van zijn broek is losgegaan 1. het naadje van de kous willen weten [alles precies willen weten] ...

Lees verder
2017
2021-10-26
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Naad

Naad - in zijn naad zitten: erg bang zijn, in de rats zitten. Vgl. (hem) knijpen. Gedacht moet worden aan de bilnaad die wordt samengetrokken wanneer men angst heeft. Vgl. volkse uitdr. in zijn knijperd, schijterd, poeper, stinkerd zitten. Een dienstklopper die snel bang is voor straf, heet een Harry Knijp.

1998
2021-10-26
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Naad

1. in je-,als (vulgaire) uitdr. van afwijzing of ongeloof. In dezelfde zin 3. Vgl. ook (aan) mijn reet; ammehoela/aan mijn hoela. ‘Kunt u daar geen stokkie voor steken...?’ ‘In je naad’, dacht ik... maar liet niks merken... (Haring Arie: De Sarkast, 1989) 2. in zijn - zitten,bang zijn. Met naadwordt hier ‘bilnaad’ bedoeld. Deze slanguitdr. wordt a...

Lees verder
1997
2021-10-26
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

naad

Een van de betekenissen van naad is ‘achterwerk, kont’. De letterlijke betekenis wordt in de verwensing lik mijn naad! niet gerealiseerd. Die betekenis is afgezwakt tot ‘bekijk het maar, maak maar dat je wegkomt’. De emoties die erdoor uitgedrukt worden zijn verachting, afkeer, ergernis e.d.

Lees verder
1990
2021-10-26
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

naad

naad - Wordt algemeen gebruikt voor de lijnen van een naad die is gevormd door de aangrenzen of aanhechting van twee uitersten, vooral de uitersten van twee delen van één voorwerp, zoals een kledingstuk of een metalen cilinder.

1973
2021-10-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

naad

m. (naden), 1. verbinding die ontstaat bij het aan elkaar naaien van twee stukken van een stof: de — gladstrijken; een lostornen; langs de — opengescheurd; dat is, gaat uit de —, de naad is of gaat los; (fig., zegsw.) zich uit de lopen, werken, zeer hard lopen, werken; (scheepsterm) verbinding van de banen van een zeil; 2. (gew.)...

Lees verder
1954
2021-10-26
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Naad

de grens tussen twee afzonderlijke (beenstukken of de plaats waar de chirurg twee delen aaneengehecht heeft; zie ook sutura.

1952
2021-10-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Naad

s., naed; met de naden over elkaar gemaakt (van boot), oernade.

1950
2021-10-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Naad

m. (naden), 1. verbinding die ontstaat bij het aan elkaar naaien van twee stukken van een stof: de naad gladstrijken; een naad lostornen; langs de naad opengescheurd; — dat is, gaat uit de naad, de naad is of gaat los; (fig.) zich uit de naad lopen, werken, zeer hard lopen, werken; — (scheepst.) verbin...

Lees verder
1949
2021-10-26
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Naad

verbinding die ontstaat bij het aaneenhechten van twee stukken van een stof, o.a. bij naaien; in de scheepsbouw bij het verbinden van planken enz.; ook onbeweeglijke verbinding van beenderen (schedel).

1933
2021-10-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Naad

1° (naaien) de verbinding van twee stofdeelen door middel van draad en naald, met de hand of machinaal. Het telkens op en neer halen van draad en naald door de stof doet steken ontstaan. Een rij van deze steken vormt een naad. Men onderscheidt: een rijgnaad, waarvoor de draad afwisselend door boven- en onderkant van de stof wordt gehaald. Een...

Lees verder
1916
2021-10-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Naad

Naad, - in de ontleedkunde de verbinding van twee beenstukken, door middel van een dun laagje huidweefsel; in het bijzonder bij de schedelbeenderen. Naar den vorm onderscheidt men dan een gladde, geschubde, getande naad. In de heelkunde is de n. de verbinding van twee wondranden en onderkent men verschillende naden naar den vorm van de hechtingen :...

Lees verder
1898
2021-10-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Naad

Naad m. (naden), wijze van naaien: de overhandsche, Engelsche, platte, ronde naad; — de verbinding die ontstaat bij het aan elkaar naaien van twee stukken eener stof: den naad glad strijken; een naad lostomen; langs den naad opengescheurd; — (fig.) zich uit den naad loopen, werken, zeer hard loopen, werken; — (Zuidn.) naaiwerk:...

Lees verder
1870
2021-10-26
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Naad

Een naad, in het algemeen eene zamenvoeging van twee kanten eener stof (bijv. van geweven goederen, planken, brons enz.), noemt men op ontleedkundig gebied den vorm eener onbewegelijke verbinding van beenderen, waarbij de ruwe, hoekige of getande randen van twee beenderen zoodanig in elkander grijpen, dat de uitstekende deelen van den eenen rand in...

Lees verder