2019-12-14

mooi

mooi - bijvoeglijk naamwoord 1. zeer goed ♢het is een mooi feest geweest 1. daar ben je mooi klaar mee [blijk van medeleven als iemand in een nare situatie zit] 2. iemand uitmaken voor alles wat mooi en lelijk is [uitschelden] 3. nou nog mooier!

2019-12-14

Mooi

1. - gezicht voor een kapotte ruit,schertsend gezegd van een fraai gezicht. Cliché. 2. iets -s,een innige verhouding. Journalistencliché, vaak ironisch gebruikt. Sinds begin jaren tachtig. Zie ook iets hebben met. Iets moois tussen Voorhoeve en Lubbers. (Trouw, 16/04/8) Het gerucht gaat dat Jody een paar jaar geleden iets moois met diezelfde Prince zou hebben gehad. (Popfoto, 27/04/89) ... als Meulenbelt zelf - na zich te hebben geproclameerd als lesbienne - toch weer iets moois begint met...

2019-12-14

Mooi

Mooi bn. bw. (-er, -st), wat de zinnen, inz. het gezicht, aangenaam aandoet, schoon, fraai, bevallig, aardig, lief: een mooi vergezicht; eene mooie streek; een mooi meisje met mooi haar en mooie oogen; (ook door uiterlijken opschik) wat heeft hij zich mooi uitgedost vandaag !; — zich mooi maken, zich fraai kleeden, (fig.) pronken met andermans veeren; — mooi met iets zijn, zich ijdellijk op iets verheffen; nu, daar ben je ook mooi mee !, daar zult ge ook niet veel plezier van hebben; — het...

2019-12-14

mooi

mooi - Bijvoeglijk naamwoord 1. (Noord-Nederland) prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon. Ze heeft een erg mooi gezichtje. 2. (Noord-Nederland) prettig, aangenaam. Het is mooi weer vandaag. 3. (Noord-Nederland) (ironisch) onaangenaam, te ver gaand. Nou wordt 'ie mooi! Woordherkomst afko...

2019-12-14

Mooi

Mooi - zie Mooij.

2019-12-14

Mooi

zie Aardig.