Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-09-2018

Fraai

betekenis & definitie

FRAAI, bn. bw. (-er, -st), sierlijk, mooi fraaie letters; een fraai span paarden; een fraai tuig; een fraaie tuin;

— de fraaie handwerken, in tegenstelling met de nuttige handwerken;
— (iron.) eene fraaie geschiedenis!
dat is me ook fraai!
— dat staat u lang niet fraai, daarop behoeft ge niet trotsch te zijn.
FRAAIHEID, v. schoonheid; (ook in het mv. ...heden), fraaie dingen, sieraden.