Laten
(liet, heeft gelaten), 1. niet verhinderen, veroorloven dat iem. een handeling verricht: laat de kinderen maar spelen. 2. niet verhinderen dat iets of iem. op een bep. plaats komt: hij werd in de kamer gelaten. 3. niet inhouden, van zich doen uitgaan: hij liet een diepe zucht; een schreeuw, een gil laten, tranen laten; een boer, ee...