Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Koude

betekenis & definitie

Koude KOU, v. lage temperatuur, koude weersgesteldheid, tegenstelling van warmte en hitte: de koude van den winter; loop zoo niet in de kou; eene snerpende, bijtende koude;

— invloed daarvan op den mensch enz., koud gevoel: ik heb kou bij mij; koude aan handen en voeten; beven van koude;
— verkoudheid: ik heb koude gevat, mijne slijmvliezen zijn ontstoken, tengevolge der gestoorde huidwerking, wat weer een gevolg is van te groote afkoeling (koude) der huid;
— (Z. A.) kou krijgen, het koud hebben; (ook) koude vatten;
— een paard koud leiden, een pas ontzadeld of uitgespannen paard langzaam laten afkoelen door het heen en weer te leiden;
— van wind: er waait eene aardige kou wind, fiinke bries;
— (spr.) hij heeft koude aan zijne voeten, van iem. die uit nood moet verkoopen;
— de kou is uit de lucht, (in het kaartspel) als de hooge troeven zijn uitgespeeld.